
© Annabelle Tiaffay
Ter gelegenheid van de release van het tweede album van Dandy Dandie, „Helios y Selene”, hadden we een gesprek met saxofonist, componist, arrangeur en bandleider Alban Darche.
Om te beginnen, kan je ons vertellen wat de aanleiding was voor de oprichting van dit ensemble?
Alban Darche : In eerste instantie waren er twee drijfveren.
Ten eerste het idee van kamermuziek gespeeld door een ietwat hybride groep, wat goed aansluit bij wat ik leuk vind, ook al is het moeilijk in een hokje te plaatsen: het is niet echt jazz, geen chanson en ook geen klassieke muziek. Die vaagheid, dat ontbreken van duidelijke stilistische grenzen, spreekt me aan, ook al blijft het altijd een beetje moeilijk te definiëren.
Ten tweede had ik het gevoel dat ik een heel persoonlijk deel van mijn muziek kon schrijven en dat met deze groep kon spelen, die iets heel intiem, bijna familiair had. Dat gaat, geloof ik, terug op een voorstelling die ik tien of vijftien jaar geleden samen met regisseur Sylvain Maurice had gemaakt, getiteld “La Chute de la maison Usher”, naar Edgar Allan Poe. Sylvain was toen directeur van het Centre Dramatique National de Franche-Comté; hij had de middelen en de tijd om residenties te organiseren om een echte voorstelling op te zetten, een luxe die je in de jazz bijna nooit hebt. Hij had me gevraagd de muziek te schrijven terwijl hij bezig was met de bewerking van het verhaal voor het toneel. Dat gaf me veel vrijheid. Bovendien bood de hele barokke en fantasmagorische wereld van de negentiende eeuw een buitengewoon rijke bron aan inspiratie om te componeren. Ik schreef dus een soort liedjes, motieven die een beetje in je hoofd blijven hangen. Dit uitgangsmateriaal zorgde er vervolgens voor dat ik het opnieuw wilde gebruiken toen het stuk niet meer op de planken stond.
Het eerste album heette „Hypnose et Morphée“. Was de tekst, die een beetje somber en mysterieus was, geïnspireerd door die voorstelling?
Alban Darche : Ja, de hele, ietwat fantastische wereld van Edgar Allan Poe lag eraan ten grondslag. Er was ook Baudelaire, van wie ik enkele verzen heb gebruikt. Het werk aan het stuk was gebaseerd op een vertaling van de tekst van Edgar Allan Poe door Baudelaire. Ik heb ook liedjes gemaakt op basis van teksten van Poe die door hem waren vertaald. Het was materiaal dat ik verder wilde verkennen.
Dit nieuwe album, „Helios y Selene“, komt op mij iets zonniger over, ook al blijft het contrastrijk. Is het ook iets optimistischer?
Alban Darche : Ik heb de neiging om van dingen te houden die een beetje gothic en romantisch zijn. Dat zie je terug op het eerste album, dat inderdaad een beetje duister is. Maar niet wanhopig, eerder nostalgisch. Hier wilde ik een vleugje kleur, in de muziek, in de dynamiek en zelfs in de hoes. Ik wilde echt iets helderder creëren, met een licht uit het zuiden en wat verborgen invloeden van Spaanse muziek. Niet per se echte Spaanse muziek, maar eerder muziek zoals die door componisten uit het begin van de twintigste eeuw werd gedroomd. Zoals Maurice Ravel, die er goed in thuis was omdat hij er niet ver vandaan kwam: hij was Baskisch. Daarom wilde ik ook een stuk van Ravel op het album zetten. En dan is er nog Claude Debussy, wiens muziek behoorlijk doordrenkt is met Spaanse invloeden. Het is een beetje de droom van deze muziek en deze sfeer, met de kleuren en de zon die daarbij horen.
Wat spreekt je aan of inspireert je in deze muziek uit het einde van de 19e eeuw, op het moment dat je gaat schrijven?
Alban Darche : Ik denk dat het te maken heeft met deze hybride groep, die voortborduurt op de traditie van de kamermuziek. Ook al is er niet voor iedereen ruimte voor improvisatie, toch is er wel sprake van. Met name voor Nathalie Darche, mijn vrouw, die in de eerste plaats een klassieke pianiste is. We doen veel projecten samen, en ze doet ook best wat andere dingen. Ze is gewend om met ritmes te spelen, om pulserende muziek te spelen. Maar haar natuurlijke terrein is toch klassieke en hedendaagse muziek. Ik vertrek dus vanuit een zeer geschreven basis en natuurlijk legt al die muziek uit het begin van de twintigste eeuw, zowel qua vorm als qua klankkleuren, een vrij duidelijke link met composities die meer jazzachtig zijn, laten we zeggen. Daarnaast zijn er ook nog andere dingen: soms haal ik inspiratie uit de barok. Soms zoek ik ook naar heel oude gedichten, die ik graag wil combineren met minimalistische muziek. Ik vraag me niet echt af waar al die klankkleuren vandaan komen: het is een mengeling van alles wat ik mooi vind. Ik maak graag gebruik van dit materiaal uit de klassieke muziek, in de brede zin van het woord, dat zich goed leent voor variaties in de vorm van refreinen en liedjes, en dat een soort cycli creëert waarop geïmproviseerde partijen kunnen worden ingepast.
Je improviseert behoorlijk wat in de refreinen en de solopartijen. Er wordt vaak gezegd dat Ravel, Bartók en andere componisten van dit kaliber, ook al stammen ze niet uit dezelfde periode, zich goed lenen voor improvisatie...
Alban Darche : Ja, Bartók is iets van een latere generatie dan Ravel. Maar het klopt dat dit componisten zijn die vaak worden genoemd. Stravinsky ook.
Zorgen ze voor een zekere vorm van vrijheid in de jazz?
Alban Darche : Ik sta een beetje wantrouwig tegenover dit soort experimenten, omdat ze enerzijds wel een beetje kloppen, maar anderzijds ook een beetje een gewoonte zijn geworden. Het zijn zeer bekende componisten, die al door jazzmuzikanten vóór ons zijn aangehaald, en bepaalde klankkleuren worden nu spontaan met hen geassocieerd.
Er is inderdaad een verband tussen Ravel en de jazz: hij is zelf naar de Verenigde Staten geweest, hij bewonderde Gershwin en hij schreef een concerto dat hier en daar klankkleuren ontleent aan de Amerikaanse jazzcultuur. Er is dus een echt raakvlak. Ik denk ook dat zijn harmonische progressie de jazzcomponisten en -arrangeurs heeft geïnspireerd, met name via wat men de Raveliaanse klankkleuren noemt. Dit alles is geleidelijk aan ingeburgerd geraakt in het landschap en de gewoonten van jazzmuzikanten, die graag naar dit soort referenties zoeken.
Maar ik geloof ook dat veel jazzmuzikanten niet enorm vertrouwd zijn met klassieke muziek. Ze kennen toch wel een beetje Bartók, een beetje Stravinsky, een beetje Ravel, een beetje Debussy, juist omdat deze componisten zijn aangewezen als historische invloeden in de ontwikkeling, althans de harmonische ontwikkeling, van die muziek.
Persoonlijk luister ik enorm veel naar klassieke muziek. Dat is mijn basis. En de muzikanten met wie ik werk, zijn vaak zelf klassieke muzikanten, zodat ik ongetwijfeld minstens evenveel inspiratie put uit de klassieke wereld als uit de jazz.

Dandy Dandie © Émilie Aujé
Hoe ben je er dan op gekomen om met Nathalie, Chloé Cailleton en Geoffroy Tamisier samen te werken, en Jean-Louis Pommier bij bepaalde nummers te betrekken, om zo deze band te vormen?
Alban Darche : Er heerst een heel familiaire sfeer. We kennen elkaar al heel lang en heel goed. Nathalie is mijn vrouw, en we delen heel veel, zowel in het leven als in de muziek. Voor een groep als deze, die neigt naar kamermuziek, was het vanzelfsprekend om die basis te hebben, met een snaarinstrument dat een beetje als orkest fungeert. En dan ben ik eigenlijk degene met de meest solistische rol, omdat ik in dit kader meer improviseer. Maar het blijft een groep met een zeer collectieve geschiedenis, ook al ben ik degene die de dingen vormgeeft.
Met Chloé Cailleton is het hetzelfde: we kennen elkaar heel goed, we doen al heel lang veel dingen samen. Ze is heel flexibel, ze past zich opmerkelijk goed aan alle muzikale werelden aan, zonder zich vragen te stellen, gewoon met het plezier om muziek te maken en haar plek in een ruimte te vinden.
Geoffroy Tamisier ken ik al sinds we heel klein waren. We hebben enorm veel samen gedaan en we delen een grote basis van gemeenschappelijke invloeden en referenties. Ook daar was er een soort van vanzelfsprekendheid. De saxofoon en de trompet samen, met de gewoonte die we hebben om samen te spelen en bijna één stem of een sectie te vormen, dat gaat heel natuurlijk.
Is dat ook de reden waarom Jean-Louis Pommier bij de groep is gekomen?
Alban Darche : Het is eigenlijk een beetje hetzelfde: Jean-Louis Pommier en ik zijn al heel lang goede vrienden, en dan is er nog het hele verhaal rond Yolk. Hij is eigenlijk in de plaats van Geoffroy gekomen voor een paar optredens waar deze niet beschikbaar was. En als we dan toch een vervanger nodig hadden, wilde ik liever een stap verder gaan en ervoor zorgen dat dit op de lange termijn een vast onderdeel van het leven van de band zou worden. Ik wilde dat hij op het album zou verschijnen, niet in plaats van Geoffroy, maar als aanvulling. Wat het schrijven en het geluidsspectrum betreft, zorgde dat voor wat meer diepgang. En dan zijn er ook nog vrij specifieke nummers, zoals ‘Denis’ bijvoorbeeld.
Is dit een eerbetoon?
Alban Darche : Ja, ‘Denis’ is een eerbetoon aan Denis Badault. Zodra ik hoorde dat hij was overleden, heb ik dit stuk heel snel geschreven. We hebben het samen met Sébastien Boisseau en Jean-Louis Pommier tijdens een concert gespeeld, op de ochtend zelf of de dag voor de begrafenis van Denis. Het was nog allemaal heel vers. We waren in de Gers, omdat we samen met Clover speelden, en toen moesten we de auto nemen om snel naar de begrafenis van Denis te gaan. Het was een beetje een vreemde periode.
We hebben het later nog eens gespeeld, als onderdeel van een eerbetoon aan Denis, op een plek in de Pyreneeën waar soms concerten worden georganiseerd en die een sterke band met hem had, omdat hij hen zijn piano had geschonken. Toen hij ziek was, had hij gezegd: “Ik weet dat ik mijn piano niet meer zal gebruiken, dus laat ik hem aan jullie na. " Tijdens dit eerbetoonconcert, waar veel mensen bijeen waren, was ook Dandy Dandie aanwezig.
Ik heb het gevoel dat dit album heel persoonlijk is, of heel intiem, en dat er ongetwijfeld veel verwijzingen in staan naar bepaalde momenten en dierbaren. Je had het net over Denis, maar er zijn er nog meer. „Nathalie“ is vrij duidelijk, tenzij ik me vergis...
Alban Darche : Ja, het is inderdaad „die“ Nathalie. Het is best grappig, want ik had het nummer aanvankelijk niet voor haar geschreven: het was een tijdelijke titel. Toen ik de opnames aan gemeenschappelijke vrienden liet horen, bevestigden ze dat het heel goed bij haar paste.
En „Louise“ dan?
Alban Darche : Louise is onze dochter. Het blijft in de familie.

Dandy Dandie © Bruno Rumen
Er zijn al die voornamen, maar er zijn ook periodes of momenten. Bijvoorbeeld: “3 octobre, jour de l’Immortel“. Wat is er toen gebeurd?
Alban Darche : Aanvankelijk was “3 octobre“ een voorlopige titel, verwijzend naar de datum waarop ik het stuk componeerde. Het is geen nummer dat ik voor Dandy Dandie had geschreven: we hadden het eerst bij France Musique als kwintet uitgevoerd, overigens samen met een van je medeburgers, Jean-Paul Estiévenart.
Daarna wilde ik het opnieuw gebruiken en heb ik het voor Dandy Dandie in een meer kamermuziekachtige stijl gearrangeerd. Ik heb ook onderzoek gedaan naar wat er op 3 oktober was gebeurd om een titel te vinden, en ik zag dat het de dag van de “Immortel” was, de bloem (Italiaanse strobloem of kerriebloem – NVDR). Toen ik zocht naar wie er in de poëzie over de immortel had gesproken, stuitte ik op de tekst van Corneille, “L'Immortelle blanche”.
Ik neem aan dat hetzelfde geldt voor “23 et 24 septembre“, waarbij Anna en Jelo erbij komen...
Alban Darche : Jelo is de bijnaam van Jean-Louis Pommier in het zuidwesten, waar hij nu woont. En Anna is al een paar jaar zijn vrouw… ze zijn op 24 september getrouwd. Ik had deze muziek voor hun bruiloft geschreven.
Ook in nummers als “Tourment et accalmie“ of “Océan des tempêtes“ gaat het om stemmingen of observaties. Dit roept twijfels, angsten en vragen op. Is er een verband te leggen tussen het einde van de 19e eeuw en de huidige tijd?
Alban Darche : Ja, ‘Tourment et accalmie’ drukt een soort ongerustheid uit over een wereld die volop in beweging is en echt ingewikkeld is. Dat hoor je ook terug in de muziek: er zijn uitbarstingen, vrij heftige momenten. Tegelijkertijd proberen we tot rust te komen, wat kalmer te zijn, perspectieven te vinden. Vandaar dat soort ostinato, waarop we op een indringende manier improviseren, alsof we hopen dat het kan blijven duren, maar de realiteit haalt ons weer in.
Ook in “Océan des Tempêtes“ klinkt twijfel door. Evenzo hangt er in “Face cachée de la lune“ iets mysterieus in de lucht, alsof men een weg probeert te vinden in het onbekende. Is dat inderdaad wat je wilde uitdrukken?
Alban Darche : Absoluut. „Face cachée de la lune“ is een beetje de fantasie over wat zich daar zou kunnen bevinden, over wat we ons voorstellen, omdat die kant tot voor kort volledig onontgonnen was. De muziek is niet erg statisch, maar ook niet erg dynamisch: het blijft mysterieus. Een beetje zoals in het repetitieve en rustigere deel van “Tourment et accalmie”, waar we een vrij vergelijkbare sfeer terugvinden.
“L'Océan des Tempêtes” is anders, stormachtiger: de titel verwijst naar een maanzee met dezelfde naam. Ik ben op onderzoek uitgegaan naar deze maanzee om andere aanknopingspunten te vinden die met de maan te maken hebben. Van daaruit heb ik de tekst geschreven die ik aan Chloé heb gevraagd voor te lezen, aangezien ze daar zin in had. Ik heb het geschreven op basis van aanvankelijk zeer wetenschappelijke definities, maar ik wilde er iets poëtischer van maken. Dat is ook de reden waarom er een vorm van nostalgie in zit.

Dandy Dandie © Bruno Rumen
Een nostalgie die we terugvinden in een nummer als „Quelque chose du Vieux Monde“…
Alban Darche : Ja, het is echt het idee van een wereld die niet de goede kant op gaat. Het loopt overal een beetje uit de hand. Er is een verlangen om terug te gaan naar de opbouw van de wereld en ons af te vragen wat er is gebeurd. Ook al is het cyclisch, we weten heel goed dat er samenlevingen zijn die opkomen, zich ontwikkelen en vervolgens op een punt komen waarop ze vervallen. Dat is in ieder geval het geval met de onze.
Het is niet erg opbeurend. De wereld zal daarom niet stilvallen: ze zal doorgaan, zelfs zonder de mens. Ik ben niet diep pessimistisch, maar ik hou wel van dit idee van evolutie, van vanuit het niets beginnen, van opbouwen. Er zijn veel dingen die opnieuw moeten worden opgebouwd op een iets gezondere basis dan we vandaag de dag zien. Toen ik onderzoek deed naar deze kwesties en naar wat er al over was geschreven, stuitte ik op een artikel over een volk in Australië, over het verwezenlijken van een heel ruilsysteem en de kunst die daarmee gepaard gaat, op een vrij poëtische manier om over een sociologisch fenomeen te spreken. Ik heb die tekst dus gepakt, in stukjes geknipt, herschikt tot een verhaal, dat ik vervolgens heb omgezet in een kort liedje, en daarna heb ik de muziek geschreven die daarbij hoort: “Quelque chose du Vieux Monde”.
Ik neem aan dat je in de toekomst van Dandy Dandie nog heel wat te vertellen hebt. Trouwens, waarom heet die groep eigenlijk Dandy Dandie?
Alban Darche : De dandy is een soort universele stijl. Dat past goed bij onze muziek. Het ging erom onder alle omstandigheden elegant te blijven. Daarom wilde ik ook foto’s maken met een dandy-uitstraling en een heel grafisch universum ontwikkelen dat bij de naam paste. We hadden de grafisch ontwerper gevraagd om een heel dandyachtige hoes voor het eerste album te ontwerpen. Het tweede album is helderder, zoals je al zei, dus ik heb hem gevraagd om iets te ontwerpen dat in die richting gaat. Ik had hem een kleurcode gestuurd op basis van foto's die we in Spanje hadden genomen: beelden van Madrid, van de metro, met zeer uitgesproken tinten, oker en geel. Hij kwam met een voorstel dat echt perfect paste bij dit universum. Het sleutelwoord was niet langer dandyisme: we gingen meer de kant van Spanje op. En Dandy Dandie was ook een manier om de naam in mannelijke en vrouwelijke vorm te gebruiken, aangezien in de groep een perfect evenwicht man/vrouw is. Dat was geen toeval: het was een bewuste keuze van de mensen.
Hoe lang bestaat het label Yolk al?
Alban Darche : Officieel bestaat Yolk sinds 2000. Maar de eerste plaat die we maakten, „Quartethno“, dateert al uit 1999. Dat was mijn kwartet, dat zich bezighield met Arabische muziek, of beter gezegd: klassieke muziek uit Noord-Afrika. Deze in 1999 in eigen beheer uitgebrachte plaat was al een teken van onze wens om als label te bestaan. Het is dus al zevenentwintig jaar geleden. Het is een mooi avontuur, met telkens weer mooie voorstellen. En het verdient het om te blijven bestaan. Met z'n drieën, samen met Sébastien Boisseau en Jean-Louis Pommier, zijn we nog steeds hecht en net zo gemotiveerd als in het begin. Dus het gaat door, omdat we er werk van maken en omdat het echt nuttig is in het muzieklandschap. Dat zien we duidelijk: we worden veel gevraagd, we krijgen veel voorstellen die we vaak moeten afwijzen. We kunnen ons niet veroorloven om te veel uit te brengen. Maar het laat wel goed zien dat we een echte rol spelen in het totale muzieklandschap.
Interview © Jacques Prouvost (vrije vertaling : Jos Demol) - foto’s © Bruno Rumen / Émilie Aujé / Annabelle Tiaffay
In samenwerking met JazzMania

Dandy Dandie - Helios Y Selene
In case you LIKE us, please click here:




Luchthavenvervoer zonder stress
Hotel-Brasserie
Markt 2 - 8820 TORHOUT

Silvère Mansis
(10.9.1944 - 22.4.2018)
foto © Dirck Brysse

Rik Bevernage
(19.4.1954 - 6.3.2018)
foto © Stefe Jiroflée
Philippe Schoonbrood
(24.5.1957-30.5.2020)
foto © Dominique Houcmant

Claude Loxhay
(18.2.1947 – 2.11.2023)
foto © Marie Gilon

Pedro Soler
(8.6.1938 – 3.8.2024)
foto © Jacky Lepage

Sheila Jordan
(18.11.1928 – 11.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Raúl Barboza
(22.5.1938 - 27.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Special thanks to our photographers:
Petra Beckers
Ron Beenen
Annie Boedt
Klaas Boelen
Henning Bolte
Serge Braem
Cedric Craps
Luca A. d'Agostino
Christian Deblanc
Philippe De Cleen
Paul De Cloedt
Cindy De Kuyper
Koen Deleu
Ferdinand Dupuis-Panther
Palma Fiacco
Anne Fishburn
Federico Garcia
Jeroen Goddemaer
Robert Hansenne
Serge Heimlich
Dominique Houcmant
Stefe Jiroflée
Herman Klaassen
Philippe Klein
Jos L. Knaepen
Tom Leentjes
Hugo Lefèvre
Jacky Lepage
Olivier Lestoquoit
Eric Malfait
Simas Martinonis
Nina Contini Melis
Anne Panther
France Paquay
Francesca Patella
Quentin Perot
Jean-Jacques Pussiau
Arnold Reyngoudt
Jean Schoubs
Willy Schuyten
Frank Tafuri
Jean-Pierre Tillaert
Tom Vanbesien
Jef Vandebroek
Jean-Marie Vandelannoitte
Geert Vandepoele
Guy Van de Poel
Cees van de Ven
Donata van de Ven
Maurits van Hout
Harry van Kesteren
Geert Vanoverschelde
Roger Vantilt
Patrick Van Vlerken
Marie-Anne Ver Eecke
Karine Vergauwen
Frank Verlinden
Jan Vernieuwe
Anders Vranken
Didier Wagner
and to our writers:
Mischa Andriessen
Robin Arends
Marleen Arnouts
Werner Barth
José Bedeur
Henning Bolte
Paul Braem
Erik Carrette
Danny De Bock
Denis Desassis
Jean-Pierre Devresse
Pierre Dulieu
Ferdinand Dupuis-Panther
Federico Garcia
Paul Godderis
Stephen Godsall
Jean-Pierre Goffin
Claudy Jalet
Chris Joris
Bernard Lefèvre
Mathilde Löffler
Claude Loxhay
Ieva Pakalniškytė
Anne Panther
Etienne Payen
Quentin Perot
Jacques Prouvost
Jempi Samyn
Renato Sclaunich
Yves « JB » Tassin
Herman te Loo
Eric Therer
Georges Tonla Briquet
Henri Vandenberghe
Jean-Jacques Vandenbroucke
Peter Van De Vijvere
Iwein Van Malderen
Jan Van Stichel
Olivier Verhelst