
© Didier Wagner
We praten bij met de gitarist, aan de vooravond van een jazz-tournee die over een paar dagen van start gaat en kort na de release van het tweede deel van „Ruby“.
Het komt zelden voor dat er zo'n kort tijdsbestek zit tussen de opnames, die in december 2025 plaatsvonden, en de release van het album deze maand maart 2026. Waarom was er zo'n haast bij?
Lorenzo di Maio : We hadden de Jazz Tour die in april 2026 begint, over een paar dagen, en de muziek was al klaar. Maar ze was nog niet opgenomen. Dus heb ik met het platenlabel gesproken om te proberen het album vóór de tour uit te brengen, maar daardoor is de planning inderdaad wat krapper dan normaal. Toen we eenmaal hadden besloten om het te doen, moesten we jongleren met ieders agenda: de muzikanten van de band, de studio, de geluidstechnicus... maar goed, het is gelukt.
Hoeveel optredens staan er op het programma van de Jazz Tour?
Lorenzo di Maio : Ik denk dat er wel twaalf data zijn, wat echt geweldig is.
Toen we elkaar voor de eerste keer ontmoetten voor „Ruby“, had je het idee geopperd dat die naam misschien wel de naam van de band zou worden. Ik weet niet of je je dat nog herinnert. Wat betekent die naam voor jou?
Lorenzo di Maio : Ja, het is een woord dat lekker klinkt in mijn oren. Ik weet niet waarom, maar toen ik destijds op zoek was naar een bandnaam, kwam dat woord steeds weer terug. Ik dacht dat er vast een goede reden voor was. Ik heb er geen rationele verklaring voor. Ik vond gewoon dat het woord goed klonk, dat het bleef hangen, en dat beviel me erg goed.
En je blijft trouw aan de kompanen van het vorige album…
Lorenzo di Maio : In ieder geval wordt de band tussen ons steeds hechter, en bovendien spelen we graag samen en kunnen we het op persoonlijk vlak heel goed met elkaar vinden. Inderdaad, ik wilde heel graag met dezelfde mensen doorgaan, en gelukkig voor mij hadden zij daar ook zin in. Het leverde dus geen problemen op.
We hadden het eerste album omschreven als een project dat zowel akoestisch als electro was. Neigt dit album niet iets meer naar electro dan het eerste?
Lorenzo di Maio : Het klopt dat de synthesizers duidelijker aanwezig zijn, meer op de voorgrond treden, en dat ze tegenwoordig echt een integraal onderdeel vormen van het geluid van de band. In werkelijkheid is dit na de eerste optredens gegroeid; de rol van Cédric Raymond heeft wat beter zijn plaats gekregen, met name buiten de bas en het gebruik van de synthesizer om. Voor mij maakt dat het nog geen elektronische muziek, maar die klankkleur is wel heel aanwezig. Tussen de gitaar en de synthesizers door doet het inderdaad denken aan een bepaalde periode in de jazz die we soms als ‘elektrisch’ omschrijven. Het klopt dat die klanken er inderdaad in te horen zijn.

Lorenzo Di Maio & Cédric Raymond © Jean-Luc Goffinet
Al vanaf het eerste nummer merk je een grote verscheidenheid aan sferen. Zijn dit nummers die al deel uitmaakten van de vorige tournee, of zijn het echt heel recente nummers?
Lorenzo di Maio : Eigenlijk allebei. Er zijn nummers die we al tijdens eerdere concerten hadden gespeeld, en dan zijn er nummers die ik vlak voor de studio-opnames heb meegebracht, die we onder elkaar hebben gerepeteerd, maar die we nog nooit op het podium hadden gespeeld.
Ik zou zeggen dat we de helft van de plaat al hadden gespeeld. En de andere helft was helemaal nieuw voor het album. Het nummer “Steel” was bijvoorbeeld misschien wel een van de allerlaatste die ik had geschreven. Ik denk dat we het voor de opnames maar één keer in het openbaar hadden gespeeld.
De eerste keer dat we elkaar ontmoetten voor een interview was vlakbij Théâtre 140, voorafgaand aan een concert van John Scofield. „Ruby Boys“ lijkt mij het nummer dat het meest beïnvloed is door de stijl van John Scofield...
Lorenzo di Maio : Ja, het klopt dat je elementen uit zijn muziek terugvindt. John Scofield is een muzikant die me al vanaf het prille begin inspireert. Ik luister al naar hem sinds ik gitaar speel, of in ieder geval sinds ik jazz speel. En dus, ook al lijkt de muziek die ik schrijf niet per se heel erg op wat hij doet, luister ik toch de hele tijd naar hem. Dat moet natuurlijk op de een of andere manier doorsijpelen, en dat geldt zeker voor dit nummer... Vooral in de gitaarklanken.
Er zijn ook wat rustiger stukken, zoals in „What's Left“, het volgende nummer, met een piano-gitaararrangement dat sentimenteler en poëtischer is…
Lorenzo di Maio : Met een finale die daarentegen, zou ik zeggen, veel meer geprezen wordt.
Let je erop dat je een soort enscenering creëert? Een filmisch aspect?
Lorenzo di Maio : Dat klopt. Het gaat erom dat ik bepaalde ideeën of situaties soms op muziek zet. Het is geen beschrijvende muziek zoals filmmuziek, maar ik denk wel veel na in termen van sfeer en stemming. Soms is het een visueel idee, soms is het gewoon een gevoel.
Wat ‘What's Left’ betreft, klopt het dat ik iets wilde dat een beetje zwevend was, een heel klein beetje plechtiger, in ieder geval voor het eerste deel van het nummer. Dat is voor mij een beetje de rode draad, ook om de muzikanten niet te sturen, maar eerder om uit te leggen wat ik in gedachten heb met de nummers. Soms zijn het maar een paar woorden, we praten veel over sfeer en stemming.
Je voegt een eerste ‘Cycle’ toe aan het album, en daarna nog twee. Het zijn als het ware heel korte intermezzo’s die dat filmische karakter nog eens extra benadrukken...
Lorenzo di Maio : Het woord „Cycle“ was natuurlijk gekozen. Het is een beetje als een thema dat zich in drie delen ontvouwt. Eigenlijk heb ik lang getwijfeld. De drie delen volgen elkaar op en het is ook mogelijk om het zo te doen, maar ik vond het een leuk idee om drie bubbels te hebben met, nogmaals, heel verschillende sferen en echt een kleine bubbel als een smaakvolle hap die iets intenser is, maar korter.

© Didier Wagner
Bij sommige nummers staan bepaalde muzikanten meer op de voorgrond. Dat is het geval in „Uprising“ met Pierre Hurty, die bijzonder aanwezig en dynamisch is…
Lorenzo di Maio : Wie hem alleen met Wajdi in het trio heeft leren kennen, hoort hier een heel andere Pierre Hurty. Maar wie hem, net als ik, heeft gezien als vervanger van Stéphane Galland in Aka Moon, hoort hier een beetje die Pierre Hurty, maar dan iets directer. Ik vind het geweldig om met Pierre te spelen, omdat hij echt een ongelooflijk aanpassingsvermogen heeft. Hij heeft veel muzikale kennis en staat altijd ten dienste van de muziek die we hem brengen. Hij kan echt veel dingen spelen en altijd met veel smaak en elegantie. Ik ben echt heel blij met wat hij aan de muziek toevoegt. Ik denk dat hij echt de drummer is die ik nodig had voor deze groep.
Daarna volgt een „Gospel Song“. Het komt in de Europese jazz vrij zelden voor dat een muzikant verwijst naar een stijl die eigen is aan de Afro-Amerikaanse cultuur...
Lorenzo di Maio : Dat zou je in het algemeen van jazz kunnen zeggen. Over de vraag of het legitiem is om als Europeaan jazz te spelen, valt te discussiëren. Gospel is eigenlijk muziek waar ik dol op ben, waar ik naar luister. Het is vooral een soort knipoog naar die muzikale kleur. Ik ben een grote fan van het album „Come Sunday“ van Charlie Haden. Dat is een duo-album met Hank Jones. Ik ben dol op dit repertoire.
Bij Scofield vind je ook een beetje gospelinvloeden terug. Onlangs heeft een vibrafonist genaamd Joel Ross een conceptalbum gemaakt rond al deze muziek, het is fantastisch. Voor mij is het gewoon een kleine knipoog naar dit repertoire waar ik erg van houd. Maar wat mij betreft is er geen spirituele connotatie. Het is echt de muzikale kleur waar ik van houd en die ik in de muziek van “Ruby” wilde brengen. De uitdaging was om een soort stijloefening te doen en tegelijkertijd deze te laten samengaan en co-existeren met het geluid van de band.
Het nummer dat ik het vreemdst vind, is „Cosmic Trip“, met een bijna beklemmende synthesizerpartij en een melodie die soms moeilijk te volgen is. Ik heb het gevoel dat er over dit nummer vast veel gediscussieerd is met de muzikanten...
Lorenzo di Maio : We hebben er inderdaad een beetje naar gezocht. Hoe zouden we dit kunnen omschrijven? Het heeft iets weg van een ruimteverovering. Zo zie ik het tenminste. Er zit iets robotachtig in het toetsenbord aan het begin en een zeer 'zegevierend' thema dat een paar keer wordt herhaald. Dat was eigenlijk een beetje het uitgangspunt. We hebben het een paar keer gespeeld om de juiste aanpak te vinden en openingen te ontdekken waarmee we konden spelen. Ik begrijp dat het misschien wat vreemd klinkt. Maar het zijn de harmonieën die het nummer een specifieke kleur geven. Het gaat iets verder.
Bij het laatste nummer van het album lijkt het alsof het eindigt met een diminuendo. Maar dan volgt er een reprise. En daarna weer die uitfading aan het einde...
Lorenzo di Maio : Het heeft nog steeds een beetje het karakter van een enscenering. Het allerlaatste stukje was eigenlijk niet van tevoren gepland. We waren van plan om af te sluiten met een heel lange pianosolo en dan uit te faden. Maar tijdens de opname kreeg ik ideeën voor gitaar-overdubs, die ik heb toegevoegd. Maar tijdens het mixen realiseerden we ons dat, door aan die textuur te werken, de samengevoegde gitaren uiteindelijk iets leuks hadden. En dus hebben we dat gebruikt om een klein stukje te maken om afscheid te nemen, laten we zeggen; dat is tijdens het mixen besloten. Maar als je wilt, het materiaal was er en we hadden eerder kunnen stoppen. En ik vond het leuk dat het alleen met de gitaren terugkwam.

Ruby © Jean-Luc Goffinet
Het masteren gebeurde in Studio Ferber in Parijs...
Lorenzo di Maio : Klopt. Simon Lancelot heeft de master verzorgd. Hij had ook al het eerste album „Ruby“ gemasterd. Ik ben erg te spreken over zijn werk en daarom wilde ik weer met hem samenwerken. Afgezien van de muzikanten is het eigenlijk precies hetzelfde team als bij het eerste album: naast Simon heeft Pierre Dozin opgenomen en gemixt.
Het eerste album had een popachtig tintje in de thema’s. Hier hebben we toch te maken met een meer gestructureerde jazz...
Lorenzo di Maio : Ik snap wat je bedoelt met dat pop-aspect. Er staan een paar nummers op de eerste plaat die echt als liedjes zijn opgebouwd. Als we bijvoorbeeld naar „Melancholia“ kijken, ontstaat er echt iets dat ook gezongen had kunnen worden. „Everglow“ trouwens ook.
Interview © Jean-Pierre Goffin (vrije vertaling : Jos Demol) - foto’s © Jean-Luc Goffinet / Didier Wagner
In samenwerking met JazzMania

Lorenzo Di Maio - Ruby II
Igloo Records
In case you LIKE us, please click here:





Hotel-Brasserie
Markt 2 - 8820 TORHOUT

Silvère Mansis
(10.9.1944 - 22.4.2018)
foto © Dirck Brysse

Rik Bevernage
(19.4.1954 - 6.3.2018)
foto © Stefe Jiroflée
Philippe Schoonbrood
(24.5.1957-30.5.2020)
foto © Dominique Houcmant

Claude Loxhay
(18.2.1947 – 2.11.2023)
foto © Marie Gilon

Pedro Soler
(8.6.1938 – 3.8.2024)
foto © Jacky Lepage

Sheila Jordan
(18.11.1928 – 11.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Raúl Barboza
(22.5.1938 - 27.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Special thanks to our photographers:
Petra Beckers
Ron Beenen
Annie Boedt
Klaas Boelen
Henning Bolte
Serge Braem
Cedric Craps
Luca A. d'Agostino
Christian Deblanc
Philippe De Cleen
Paul De Cloedt
Cindy De Kuyper
Koen Deleu
Ferdinand Dupuis-Panther
Anne Fishburn
Federico Garcia
Jeroen Goddemaer
Robert Hansenne
Serge Heimlich
Dominique Houcmant
Stefe Jiroflée
Herman Klaassen
Philippe Klein
Jos L. Knaepen
Tom Leentjes
Hugo Lefèvre
Jacky Lepage
Olivier Lestoquoit
Eric Malfait
Simas Martinonis
Nina Contini Melis
Anne Panther
France Paquay
Francesca Patella
Quentin Perot
Jean-Jacques Pussiau
Arnold Reyngoudt
Jean Schoubs
Willy Schuyten
Frank Tafuri
Jean-Pierre Tillaert
Tom Vanbesien
Jef Vandebroek
Jean-Marie Vandelannoitte
Geert Vandepoele
Guy Van de Poel
Cees van de Ven
Donata van de Ven
Harry van Kesteren
Geert Vanoverschelde
Roger Vantilt
Patrick Van Vlerken
Marie-Anne Ver Eecke
Karine Vergauwen
Frank Verlinden
Jan Vernieuwe
Anders Vranken
Didier Wagner
and to our writers:
Mischa Andriessen
Robin Arends
Marleen Arnouts
Werner Barth
José Bedeur
Henning Bolte
Paul Braem
Erik Carrette
Danny De Bock
Denis Desassis
Pierre Dulieu
Ferdinand Dupuis-Panther
Federico Garcia
Paul Godderis
Stephen Godsall
Jean-Pierre Goffin
Claudy Jalet
Chris Joris
Bernard Lefèvre
Mathilde Löffler
Claude Loxhay
Ieva Pakalniškytė
Anne Panther
Etienne Payen
Quentin Perot
Jacques Prouvost
Jempi Samyn
Renato Sclaunich
Yves « JB » Tassin
Herman te Loo
Eric Therer
Georges Tonla Briquet
Henri Vandenberghe
Jean-Jacques Vandenbroucke
Peter Van De Vijvere
Iwein Van Malderen
Jan Van Stichel
Olivier Verhelst