Gebhard Ullmann : koppig verdergaan en mezelf steeds heruitvinden…





Vorig jaar besteedden we een special aan de Duitse rietblazer Gebhard Ullmann. Met het debuutalbum ‘Hemisphere4’ van zijn gelijknamig nieuw kwartet zorgt hij traditiegetrouw voor een verrassende wending. De ideale gelegenheid om deze muzikant en componist die in het verleden reeds werkte met onder meer Keith Tippett, Willem Breuker, Paul Bley en Bram De Looze uitgebreid in de kijker te plaatsen.



© courtesy Gebhard Ullmann


“Ik blijf koppig verdergaan en wil mezelf steeds heruitvinden”



Het interview had plaats begin januari via Whatsapp. Een relaxte Gebhard Ullmann verscheen op het scherm. Niet echt verwonderlijk. De man kwam net terug van een vakantie in Egypte waar hij ging sporten en in het bijzonder kitesurfen.


Reizen als inspiratiebron

U hebt de reputatie een wereldburger te zijn die graag reist. Waar woont u momenteel?

In Berlijn. Vroeger verhuisde ik weliswaar regelmatig, naar Hamburg, Keulen en zelfs New York maar ik hield steeds een “pied-à-terre” hier.

Is Berlijn nog de “place to be”?

Zeker en vast. Het echte hoogtepunt was wel de periode 2000-2015. Corona leidde tot een ommekeer. De huurprijzen stegen enorm en stilaan bereiken we een punt waar de jonge generatie vertrekt naar nieuwe alternatieve plekken. Zo is Leipzig een geliefkoosde bestemming. Het komt altijd op hetzelfde neer, eens de basiskosten de pan uit swingen is er een verhuisbeweging van kunstenaars en muzikanten.

Vormen reizen uw voornaamste inspiratiebron?

Dat is gedeeltelijk zo. Dikwijls is het een ingeving die opkomt bij het ontwaken. Meestal staat die dan in verband met een project waar ik aan werk. Zo is er een opname gepland in juni voor ESP met Joe Morris, Reggie Nicholson en Steve Swell. Ideeën rond dit gegeven draaien rond in mijn hoofd zoals welk instrument ik zelf in die context ga gebruiken. De radertjes van de inspiratie blijven dus continu draaien, zelfs ’s nachts.



© Cedric Craps



Philosopher of the reed

Als multi-instrumentalist speelt u tenor- en sopraansaxofoon en tevens diverse klarinet- en fluitmodellen. Hoe bepaalt u de keuze?

Componeren gebeurt bijna altijd op piano, soms op een ander instrument. Voor lyrische stukken zal ik bijvoorbeeld nooit een fluit gebruiken om niet clichématig in het vaarwater te belanden van Debussy. Basklarinet introduceer ik meestal om een meer abstract gevoel op te roepen. Bepaalde passages ga ik zeker niet op tenor brengen omdat dit alles reeds veel beter gedaan werd in de fifties en sixties. Uitzondering op dit laatste was een project dat ik opnam rond Albert Ayler. Tegenwoordig beperk ik mij sowieso meer en meer tot een enkel instrument of gebruik ik electronics als alternatieve oplossing. Dat is live ook veel praktischer om een uniforme vibe te behouden, zeker als er maar een set is.

Men omschreef u al eens als “philosopher of the reed”. Kan u zich daarin vinden en sluit een cd-titel als ‘Basement Research’ (Soul Note, 1995) daarbij aan?

‘Basement Research’ draait vooral rond een muzikale filosofie. Die opname dateert van bijna dertig jaar geleden en was mijn eerste opdracht voor Soul Note. Giovanni Bonandrini, de labeleigenaar, gaf mij de kans naar New York te vertrekken en daar een eigen kwartet op te starten om nadien de studio in te trekken. Dat was de periode toen ik mij heel intens concentreerde op basklarinet. ‘Basement Research’ is op die manier het resultaat van mijn zoektocht naar de lagere tonen en de verbinding tussen basklarinet en contrabas in de persoon van Drew Gress. Drummer was Phil Haynes en Ellery Eskelin de tenorsaxofonist.

        


Op deze cd staat een aantal titels met woord- en letterspielereien zoals ‘D.Nee-No’, New No-Ness’ en ‘N.B.Eleven’. Is dat een van uw interessepunten?

In zekere zin wel wanneer het gaat om bepaalde klanken te combineren. Dat stemt overeen met mijn zwak voor dadaïsme. Dergelijke zaken intrigeren en trekken de aandacht van het publiek. Met de recente cd ‘Hemisphere4’ ben ik dan meer de geometrische toer op gegaan door verwijzingen naar kegels, cirkels en hemisferen.

Een ander voorbeeld is mijn groep Tá Lam. Die naam betekent helemaal niets. Tenminste dat dacht ik tot iemand mij erop wees dat dit in het Tibetaans een omschrijving is voor “de weg van het paard”. Op de debuut-cd van Tá Lam staan trouwens nog dergelijke woordspelingen zoals ‘Mala Dr’ôle’, een ontlening aan het Franse woord “drôle”. Toegeven dat ik op bepaalde momenten soms niet goed weet waar ik muzikaal naar toe wil en die onzekerheid vervolgens verwerk in de titels.



© Cedric Craps



Een eigen oeuvre

Laten we het even hebben over de wel zeer aparte bezetting van Tá Lam waarbij accordeonist Hans Hassler het opneemt tegen een uitgebreid gezelschap van saxofonisten, klarinettisten en fluitisten...

Aanvankelijk was het de bedoeling om een uitgebreid ensemble samen te stellen met enkel rietblazers. Dat idee haalde ik bij ‘Sam Rivers Winds Of Manhattan, Colours’ verschenen bij Soul Note. Aangezien mijn studiotijd beperkt was, diende de uitwerking op kleinere schaal te gebeuren. Bij het opnieuw beluisteren, toen alles bijna afgerond was, viel mij op dat het totaalgeluid dicht aanleunde bij de klanken van een accordeon. Zo kwam Hans Hassler in beeld. In de daaropvolgende jaren breidde Tá Lam trouwens steeds verder uit.

Met Tá Lam hernam u heel wat composities van vroeger. Ging het om een artistieke noodzaak?

Het is een aspect waarin ik verschil van andere improvisators. Ik beschouw mezelf voor de helft uitvoerder en voor de helft componist. Met alle bescheidenheid hangt dit ook samen met het opbouwen van een “oeuvre” zoals men dat noemt in de klassieke wereld. Vandaar de hernemingen uit eigen repertoire. In de loop van dit jaar volgt zo een opname met bewerkingen voor strijkkwartet, een referentie naar het modernisme van voor 1950 gekoppeld aan de traditie van de jazz.



© Cedric Craps



Label hopping

Vanwaar de veelvuldige labels waar u terechtkwam voor uw opnamen?

Het is een verwijt dat ik regelmatig te horen krijgen. Die vorm van label hopping is meestal een samenloop van omstandigheden. Soms is het een zeer concrete situatie. Toen Soul Note stopte was ik wel verplicht op zoek te gaan naar een alternatief. Bij elke nieuwe release zoek ik naar het gepaste label, wat mij het leven moeilijk maakt maar dat is nu eenmaal mijn keuze. Vooreerst probeer ik altijd in Duitsland te blijven maar het is steeds lang wachten op een reactie. De recente deal inclusief opname bij ESP bijvoorbeeld was al na enkele weken helemaal rond.

U bent een boegbeeld uit de Europese jazz. Hoe ziet u de verhouding tot de Amerikaanse jazz anno 2024?

Vanuit louter praktisch standpunt bekeken zorgde corona ook hier voor de nodige ontwrichtingen. Alles werd plots veel duurder, van vliegtuigtickets tot hotels. Dat maakt het voor mij onmogelijk om nog met een Duitse band in Amerika te toeren. Ook het omgekeerde geldt meer en meer. Mijn New Yorks kwartet naar Europa halen is een onbegonnen zaak geworden in de scene waar ik in vertoef. Laten we daarbij niet vergeten dat onze gage even laag gebleven is! Het was trouwens altijd een probleem om ginder te toeren. Buiten concerten in grote steden als New York en Chicago of een paar “gigs” aan de westkust waren er geen overige mogelijkheden. Uitgebreide tournees voor Europeanen in de USA is nooit echt een optie geweest.


 
© Cedric Craps



Een nieuwe richting

Mogen we uw recente titelloze cd met Hemisphere4, verschenen bij JazzHausMusik, beschouwen als een bewust gekozen kantelpunt?

Dat klopt en die ommezwaai zal nog duidelijker worden met de tweede cd waarvoor ik nog de nodige fondsen moet vinden. Het zal gaan om een doorgedreven samensmelten van compositie, improvisatie en electro-acoustics met liefst vrouwelijke muzikanten en een verscheidenheid van onderlinge samenstellingen. De eerste cd is een beginstadium waarbij zowat alles geïmproviseerd is. De bedoeling was vooral bepaalde atmosferen op te roepen al dan niet met filmische ondertoon. Misschien voeg ik daarom in de toekomst nog wel een multidisciplinair artiest toe aan het gezelschap. Een vervolg komt er zeker. Elk van mijn groepen is gepland om minstens tien jaar te blijven bestaan en liefst langer zoals Conference Call en Tá Lam. Gezien mijn leeftijd, ik ben ondertussen zesenzestig, is dit waarschijnlijk mijn laatste project op lange termijn (lacht).

Het instrumentarium bevat wederom een accordeon (Silke Lange) naast vibrafoon (Taiko Saito) en toetsen (Liz Kosack). Uzelf horen we op fluit en saxofoon waarbij u tevens samplers en electronics gebruikt.

De basfluit die ik bespeel, is gemaakt in Nederland door Eva Kingma en heeft de klank van een shakuhachi. Daarnaast werk ik inderdaad met loops en effecten en verwerk hierbij principes van microtonaliteit. Mijn medemuzikanten kregen een basisstructuur mee en mochten die invullen naargelang hun eigen inspiratie.

Hemisphere4 klinkt als muziek uit een verre kosmos met onderliggende spanningsvelden zoals in een goede horrorfilm. Impressionisme, een zweem van spiritualisme en “slow motion” zijn begrippen die hier van toepassing lijken. Een directe lijn als het ware tussen Klaus Schulze en Charles Lloyd.

Ik heb enorm respect voor Charles Lloyd. Wat Klaus Schulze betreft ga ik eveneens akkoord. Indertijd volgde ik nauwgezet de hele beweging van Krautrock evenals de scene in Groot-Brittannië rond Henry Cow, Gentle Giant en natuurlijk King Crimson. Al deze invloeden komen directer naar voor in mijn andere groep Das Kondensat. Liz Kosack, nu in Hemisphere4, maakt daar eveneens deel van uit. De link is dus niet toevallig.

Gezien uw verleden hebt u waarschijnlijk reeds toekomstplannen...

Stoppen zit er inderdaad niet in. Ik blijf op zoek naar mogelijkheden net zoals vroeger en ga koppig verder met de bedoeling mezelf steeds te verrassen. Wanneer dat niet meer lukt, haak ik af.

Interview © Georges Tonla Briquet  -  foto's © Cedric Craps / courtesy Gebhard Ullmann





WEBSITE GEBHARD ULLMANN
UNIVERSAL EDITION
SOUNDCLOUD




In case you LIKE us, please click here:




Foto © Leentje Arnouts
"WAGON JAZZ"
cycle d’interviews réalisées
par Georges Tonla Briquet


our partners:

Clemens Communications


 


Silvère Mansis
(10.9.1944 - 22.4.2018)
foto © Dirck Brysse


Rik Bevernage
(19.4.1954 - 6.3.2018)
foto © Stefe Jiroflée


Philippe Schoonbrood
(24.5.1957-30.5.2020)
foto © Dominique Houcmant


Claude Loxhay
(18/02/1947 – 02/11/2023)
foto © Marie Gilon


Special thanks to our photographers:

Petra Beckers
Ron Beenen
Annie Boedt
Klaas Boelen
Henning Bolte

Serge Braem
Cedric Craps
Christian Deblanc
Philippe De Cleen
Paul De Cloedt
Cindy De Kuyper

Koen Deleu
Ferdinand Dupuis-Panther
Anne Fishburn
Federico Garcia
Robert Hansenne
Serge Heimlich
Dominique Houcmant
Stefe Jiroflée
Herman Klaassen
Philippe Klein

Jos L. Knaepen
Tom Leentjes
Hugo Lefèvre

Jacky Lepage
Olivier Lestoquoit
Eric Malfait
Simas Martinonis
Nina Contini Melis
Anne Panther
Jean-Jacques Pussiau
Arnold Reyngoudt
Jean Schoubs
Willy Schuyten

Frank Tafuri
Jean-Pierre Tillaert
Tom Vanbesien
Jef Vandebroek
Geert Vandepoele
Guy Van de Poel
Cees van de Ven
Donata van de Ven
Harry van Kesteren
Geert Vanoverschelde
Roger Vantilt
Patrick Van Vlerken
Marie-Anne Ver Eecke
Karine Vergauwen
Frank Verlinden

Jan Vernieuwe
Anders Vranken
Didier Wagner


and to our writers:

Mischa Andriessen
Robin Arends
Marleen Arnouts
Werner Barth
José Bedeur
Henning Bolte
Erik Carrette
Danny De Bock
Denis Desassis
Pierre Dulieu
Ferdinand Dupuis-Panther
Federico Garcia
Paul Godderis
Stephen Godsall
Jean-Pierre Goffin
Claudy Jalet
Bernard Lefèvre
Mathilde Löffler
Claude Loxhay
Ieva Pakalniškytė
Anne Panther
Etienne Payen
Jacques Prouvost
Yves « JB » Tassin
Herman te Loo
Eric Therer
Georges Tonla Briquet
Henri Vandenberghe
Iwein Van Malderen
Jan Van Stichel
Olivier Verhelst