een gitaar tegen de Nazi-duisternis
© Erik Carrette

‘Een leven tussen jazz, vervolging en herinnering’
Zijn er nog steeds mensen die niet geloven dat de gaskamers hebben bestaan ? Waarom hadden de nazi’s het op de joden gemunt ? Dat kwam door hun racistische ideologie. Ze beschouwden mensen met joodse afkomst als een bedreiging voor wat zij noemden het zuiver Duits ras. Na de Eerste Wereldoorlog zochten de nazi’s zondebokken. Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam werden joden stap voor stap uitgesloten: ‘Joden niet gewenscht’ werd geafficheerd. De nazi’s waren niet kwaad op de joden omdat ze iets verkeerd hadden gedaan. Er ontstond een vijandbeeld op basis van haat en leugens, antisemitisme. Er zouden wel zes miljoen joden vermoord zijn tijdens de holocaust. Hoeveel daders of uitvoerders waren daarvoor nodig, waren het overwegend Duitsers ? Bestaan daar cijfers over ? Protesteerden die uitvoerders niet ? Hoe waardeerden ze hun opdracht ?
Het ontkennen van de holocaust is in België door de Negationismewet uit 1995 verboden.
In deze bijdrage komt de lezer te weten hoe de legendarische jazzgitarist Coco Schumann op wonderbaarlijke wijze drie concentratiekampen overleefde: hij verbleef zeventien maanden in Theresienstadt (900 km), en enkele weken in Auschwitz-Birkenau (1.250 km) en Dachau (750 km). Tussen haakjes de afstand vanuit Mechelen. Het zijn nu historische gedenkplaatsen met musea.
Tot op hoge leeftijd gaf Schumann jazzconcerten. Dikwijls vertelde hij met joodse humor over twee vaders. De ene zegt met trots: ‘Mein Sohn spielt Fagott’. De andere antwoordt verbaasd: ‘Wieso spielt er fa Gott un nett fa de Leit ?’ (Waarom speelt hij voor God en niet voor de mensen ?).
Coco vertelde dat hij Toots Thielemans (1922-2016) ophaalde aan de Tempelhof Luchthaven toen die in Berlijn kwam optreden. Hij logeerde bij Coco en zijn vrouw Gertraud zorgde voor goede maaltijden. Toots speelde voor hem eens ‘Bluesette’, ‘That’s my retirement !’ zei Toots, of ‘Das ist meine Rente!’. Hij had deze wereldhit opgenomen in 1962.
In november 1989 speelden Toots en Coco een herdenkingsconcert over de ‘Swing Kids’, de Swing Jugend die weigerde zich aan te sluiten bij de Hitlerjugend en rebelleerde met jazz. Dit concert was het ultieme bewijs dat swingmuziek definitief had gewonnen.
Hoewel, tien jaar eerder, bestond er nog een haatpubliek tegenover jazz.
Op zondag 23 april 1978 ging in het Antwerpse Sportpaleis het Vlaamse Nationaal Zangfeest door. Toen Toots zijn optreden begon stormden plotseling enkele Vlaams-nationalisten het podium op en verscheurden zijn bladmuziek. In de zaal klonk ‘Geen negermuziek op ons zangfeest !’.
Daags nadien trad Toots op in de Koningin Elisabethzaal aan de zijde van dirigent Rogier van Otterloo. Hij vertelde over het incident. Hier kreeg Toots een staande ovatie.

In 1978 nam Toots het album ‘Slow Motion’ op met toetsenist Rob Franken (1941-1983), bassist Niels-Henning Ørsted Pedersen (1946-2005) en drummer Alex Riel (1940-2024) (CBS 82692). Navraag bij Sony Music leverde geen juiste opnamedatum op.
In april 2026 werd in België een commissie opgericht om het onrecht van de naziroofkunst te onderzoeken. De Duitse bezetting met bijhorende kunstroof begon in 1940. De teruggave van geroofde eigendommen aan joodse gemeenschappen moest geregeld worden.
In januari 2025 publiceerde de ‘Groep van Wijzen’ uit de Belgische Senaat een eindrapport over de spoorwegmaatschappij NMBS en de deportaties die ze heeft uitgevoerd tussen 1942 en 1944. Onder Duitse controle en tegen betaling vervoerden 28 konvooien tussen de Dossinkazerne in Mechelen en het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau wel 25.000 Joden, onder wie kunstenaars en muzikanten. Van de Joden kwamen na de bevrijding amper 1.500 mensen levend terug.

René Goldstein
Zo ook de Belgische jazzbassist René Goldstein, geboren op 10 april 1920 in Etterbeek. Hij had nummer 574 in het XXIVe transport, stamnummer in Auschwitz: 179576. Dat vertrok uit Mechelen op 4 april 1944. Hij werd aangehouden niet alleen omdat hij jood was, maar omwille van zijn anti-Duitse houding. Tijdens een ‘blue hour’, een geheime bijeenkomst van jazzliefhebbers in Brussel, viel de Gestapo binnen. Ze vonden satirische partituren met ‘Hitler blues’ en ‘Gestapo blues’. Misschien al voor de oorlog of na zijn terugkeer nam hij een Vlaamse achternaam aan – Goossens of Gossens - om antisemitisme te ontlopen. Volgens Sabam overleed hij op 2 januari 1977.
In de Franstalige Belgische jazzgeschiedenis en de RTBF kan je niet rond Albert Bettonville (1916-2000) en Carlos de Radzitsky (1915-1985). De Gestapo zou binnengevallen zijn tijdens een voordracht van de Radzitsky over Count Basie. Zijn vader Jules (1883-1955) was advocaat aan het Hof van Beroep. Hij verdedigde 2.800 gevallen van gearresteerde Belgen. De stafhouder van de Orde der Advocaten adviseerde Carlos het enorm archief te laten vernietigen. Een onherstelbaar verlies voor de geschiedenis.
Ze had al gezongen bij Fud Candrix en Stan Brenders. In augustus 1938 zong Emmy Daelman (May Dale, 1910-1992) als een van de eerste Belgische jazzvocalisten bij het orkest van André Felleman, in het Casino Kursaal in Blankenberge. Felleman had een van de beste jazzformaties. Hij was geboren in Borgerhout op 4 maart 1902. Op 3 februari 1943 werd hij met zijn vrouw Berthe Marx en hun twee zonen met transport 47 vanuit het verzamelkamp Drancy naar Auschwitz gedeporteerd, aankomst 11 februari 1943. Geen van hen lijkt het te hebben gehaald.
Concertorganisator Paul Ambach (°1948), bekend als Boogie Boy, komt uit een Joodse familie. Zijn vader was als gevangene in Drancy opgesloten. Bedoeling was hem op transport te zetten naar Auschwitz, maar het verzet had de spoorlijn gesaboteerd, zodanig dat de trein niet kon vertrekken.
Op 19 april 1943 vertrok uit Mechelen het 20e Jodentransport richting Auschwitz met daarbij Simon Gronowski (°1931). Tussen Sint-Truiden en Tongeren sprong hij uit de trein. Hij overleefde de holocaust, werd jurist en ook bekend als amateur-jazzpianist.
Het Joods Museum aan Kreuzberg in Berlijn is gevestigd dichtbij Checkpoint Charlie en de oude Berlijnse Muur, die was gevallen op 9 november 1989. In het museum is er een permanente tentoonstelling over de Joden in Duitsland en over de Holocaust, de Shoah.
Het Rafael Roth Leercentrum heeft het levensverhaal van Coco Schumann belicht. Zijn muzikaal talent redde zijn leven in Theresienstadt en Auschwitz.
COCO SCHUMANN (1924-2018)
Heinz Jakob Schumann werd geboren op 14 mei 1924 in Berlijn, ‘Freistaat Preussen, Weimarer Republik’. Hij overleed in Berlijn op 28 januari 2018. Hij werd 93 jaar. Zijn graf ligt op het ‘Jüdischer Friedhof’ in de Heerstrasse, Charlottenburg, Berlijn.

Hij trouwde in oktober 1950 met Gertraud Goldschmidt, later Gertraud Schumann genaamd. De verschrikkingen van de holocaust hadden Coco’s stamboom flink uitgedund. Bij zijn overlijden werd Coco overleefd door zijn stiefzoon Peter Goldschmidt (°23 augustus 1940) die als jurist de nalatenschap van Coco beheerde. Coco had een jongere broer Jürgen (°1942).
In 2026 werd Coco’s voormalige woning aan de Treibjagdweg in Zehlendorf, Berlijn toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst van de Unesco.
Zijn vader Alfred (+ 1958) kwam uit een christelijk gezin en was decorateur en stoffeerder. Hij bekeerde zich tot het jodendom door te trouwen met Hedwig Rothholz (+ 1960), die was joods. Liberaal jodendom en christelijke tradities waren in Coco’s jeugd belangrijke invloeden.
‘De kerstboom stond naast de negenarmige kandelaar. We vierden Pasen met de ouders van mijn vader en Joodse Pasen met de ouders van mijn moeder. De familie maakte weinig onderscheid tussen die feestdagen, wat ik zelfs toen al ideaal vond’, aldus Schumann.
In de jaren dertig ontstond er enthousiasme voor jazz en die kwam in de plaats van de operette. Muzikanten durfden marsliederen zoals ‘Berliner Luft’ een jazzy tintje geven. De nazidictatuur kon dit niet smaken.
Tijdens het naziregime publiceerde de Duitse filosoof en musicoloog Theodor Adorno (1903-1969) ‘Abschied vom Jazz’ (1933) en ‘Über Jazz’ (1936). Historicus Eric Hobsbawm (1917-2012) repliceerde met ‘some of the stupidest pages ever written about jazz’.
In 1934 werd de film ‘Triumph des Willens’ geproduceerd door Leni Reifenstahl. Met daarin de Hitlergroet ‘Sieg Heil’ of ‘Heil Hitler’, een symbool van het Nationaal Socialisme. Hitler schreef in 1925 ‘Mein Kampf’. Daarin noteert hij zijn verlangen om de joden te verdrijven uit Duitsland, ze zijn een bedreiging van het voortbestaan van het Duitse volk.
Op 15 september 1935 werden ‘Neurenberger Rassenwetten’ afgekondigd, het begin van de Jodenvervolging. Hierdoor moest Schumann de openbare school verlaten en naar een joodse school gaan. Hij werd geklasseerd als ‘Jood volgens definitie’, een ‘Geltungsjude’ gelijkgesteld aan een volbloed jood.
In 1936 ontmoette hij voor het eerst leden van de Swing Jugend, die dweepten met Glenn Miller, Benny Goodman, Count Basie en Duke Ellington.
In 1938 kreeg Schumann een akoestische gitaar van een neef die in militaire dienst moest.
Het woekerend antisemitisme in de naziliteratuur legde de basis voor de holocaust en het emigreren weg vanuit Duitsland. Velen Joden namen de vlucht vooruit en trokken naar Amerika, Engeland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en België.
Op 13 mei 1939 vertrok het S.S. St. Louis (The ship of Jewish refugees nobody wanted) vanuit Hamburg met vluchtelingen naar Cuba om door te steken naar Amerika. Wegens quota’s gold een inreisverbod. Het schip moest terugkeren met zijn passagiers en arriveerde op 17 juni in Antwerpen. Hier werden ze opgejaagd en 250 overleefden het niet als nazislachtoffer. Vanaf 1941 was het zelfs verboden dat joden Duitsland verlieten.
Hadamovsky voerde in oktober 1935 een jazzban in en verbood radio-uitzendingen van wat de nazi’s ‘Nigger-Jazz’ noemden, ‘entartete Musik’, ontaarde muziek. Nochtans waren fans dol op die muziek en het kopen van platen werd gemakkelijker. In 1926 creëerde Deutsche Grammophon het Duitse Brunswick label in licentie van het Amerikaanse Brunswick.
In Berlijn heerste een schijntolerantie. De stad was kosmopolitisch omwille van de Olympische Zomerspelen van 1 tot 16 augustus 1936. Tijdens deze spelen ontstond de herrie over het al niet handen geven en felicitaties door Hitler aan de zwarte medaillewinnaar Jesse Owens.
Op 30 km werd vanaf 12 augustus 1936 het concentratiekamp Sachsenhausen gebouwd.
Tijdens die Spelen traden de Original Teddies van saxofonist Teddy Stauffer op in het Delphi-Palast, mekka voor swingmuziek. Zwarte jazziconen als Armstrong of Ellington laten optreden ging voor het regime te ver. Vandaar dat blanke orkesten voor het muzikaal amusement moesten zorgen: de Zwitserse orkestleider Teddy Stauffer (1909-1991), de Engelse jazztrompettist Nat Gonella (1908-1998) en het orkest ‘Die Goldene Sieben’ met trompettist Kurt Hohenberger.
Klarinettist Benny Goodman (1909-1986) werd geschrapt van de Duitse platenlabels, de nazi’s hadden ontdekt dat hij joods bloed in zijn handen had. Zowel zijn vader als zijn moeder waren joodse immigranten gevlucht naar de Verenigde Staten om te ontsnappen aan het antisemitisme.
Op zijn dertiende zag Schumann in Delphi-Palast voor het eerst het orkest van Teddy Stauffer.
Coco leerde de basis van het drummen van Arthur Rothholz, een muziek liefhebbende oom die kapper van beroep was. Hij trad op in Prater pretpark in Berlijn. Na zekere tijd veroverde de jonge Schumann een plekje in het ‘zigeunerorkest’ van zijn oom.
Op zijn zestiende kreeg Coco gitaarles van Hans Korseck (1911- overleden 11 juli 1942), een geneeskundestudent die van swing hield. In de VS had hij jazzmuzikanten Benny Goodman en Tommy Dorsey ontmoet. In 1941 richtte Korseck de eerste Duitse plectrumgitaarschool op. Hij stierf tijdens zijn laatste inzet aan het Oostfront door een schot door het hoofd, hij was pas 31.
Op 16 januari 1938 viel de ‘muur’ tussen de gescheiden rassen: in Carnegie Hall trad de blanke Goodman op met zwarte pianist Teddy Wilson en Lionel Hampton, tegenstrijdig met het nazi-ideaal. In oktober 1938 verschenen de affiches ‘Swing tanzen verboten’.
In de nacht van 9 – 10 november 1938 vond in nazi-Duitsland de georganiseerde aanval tegen de joden plaats. Synagogen en joodse winkels werden beschadigd of in brand gestoken. Het was de ‘Reichskristallnacht’, verwijzend naar het vele gebroken glaswerk. Daags nadien werden veel joden gedeporteerd naar Dachau en Buchenwald. Oom Arthur voelde de gevaren en vertrok naar La Paz, Bolivië. Hij liet zijn drumstel achter voor Coco.
Die Kristallnacht leidde ertoe dat Teddy Stauffer in 1941 Duitsland verliet, omdat swing met alle middelen moest bestreden worden. Hij emigreerde naar Californië en Mexico, Acapulco.
Terwijl de Berlijnse Jood Alfred Lion (1908-1987) in 1939 het platenlabel Blue Note lanceerde en het motto ‘It must swing’ voor zijn muzikanten introduceerde, trotseerde Coco alle verboden van zijn tijd in de Berlijnse jazzscene.
In 1939 werkte Schumann verplicht als hulpje bij een loodgieter. ’s Avonds bezocht hij de kroegen.
In de Melody Bar hoorde Schumann de toen 19-jarige violist Helmut Zacharias (1920-2002).
In de jaarwende van 1939/1940 verdiende hij zijn eerste centen als drummer in de Hasenschaukel in Charlottenburg.
De Italiaanse saxofonist Tullio Mobiglia (1911-1991) begon in 1934 als orkestmuzikant te spelen op trans-Atlantische schepen tussen Genua en New York. Hij werd daar bevriend met saxofonist Coleman Hawkins (1904-1969). Vanaf 1940 tot augustus 1943 kwam Mobiglia optreden in Berlijn. In het voorjaar van 1942 speelde Coco in de Rosita Bar in Schöneberg. De Amerikaanse standards werden vertolkt zonder de bladmuziek op staander. Coco verdiende mooi geld bij Tullio en zo kon hij een betere gitaar kopen.
Een Franse vriendin had moeite om de ‘h’ van Heinz te begrijpen. Een artiestennaam kwam goed van pas en Heinz werd Coco.
In de Groschenkeller begeleidt Schumann pianist-zanger Bully Buhlan (1924-1982). In de clubs werd aan de ingang een systeem opgezet om te waarschuwen voor ongevraagd bezoek van de nazi’s.
Een artistieke provocatie in 1941 was de hit ‘Joseph !, Joseph !’. The Andrews Sisters hadden het nummer in 1938 opgenomen en het kon dienen als spot met Joseph Goebbels, jodenhater en nazi-propagandaminister. Iedereen wist het en Goebbels vond het hoogst ongemakkelijk, daarom verbood hij het lied.
Hoe bekender Coco werd, hoe gevaarlijker het werd, want de Gestapo kwam patrouilleren, de Geheime Staatspolizei. Als een ‘Geltungsjude’ was Coco geen lid van de ‘Reichsmusikkammer’ en was het hem verboden publiekelijk op te treden. Zeker niet in het Engels en Amerikaans, de muziek van de vijand. Engelse titels werden verduitst, sommige waren het al voor de nazicensuur. Zo werd ‘Tiger Rag’ aangekondigd als ‘Schwarzer Panther’.
Wellicht was het in 1941-1942 dat Coco met valse documenten kortstondig meespeelde bij Ernst van ’t Hoff (1908-1955), bijna zeker in Delphi-Palast waar het orkest veelvuldig actief was.
Nog even dit: Carl Orff (1895-1982), bekend door zijn ‘Carmina Burana’ uit 1937, hield zijn joodse familiegeschiedenis angstvallig geheim uit vrees om in de cel te belanden. Hij klom op in de kunstkringen van de nazi’s waardoor hij verdacht werd van nazi-sympathieën. Hij benadrukte zijn afkeer voor de jazz.
THERESIENSTADT
Op 18 februari 1943 riep Goebbels de ‘totale oorlog’ uit. In maart 1943 werd Schumann plotseling gearresteerd op de Alexanderplatz en naar Theresienstadt gestuurd, voorportaal van het vernietigingskamp Auschwitz. Officieel werd hij beschuldigd van het niet dragen van de davidster, sinds september 1941 verplicht voor alle joden in Duitsland. Bovendien speelde Coco verboden muziek. Jazz was niet alleen muziekgenre, het was een rebelse attitude en een daad van passief verzet.
Schumann vermoedde dat contacten van zijn neef met het antifascistisch verzet de werkelijke reden van zijn arrestatie waren. Heinz Rothholz was lid van een joodse verzetsgroep onder leiding van Herbert Baum. Baum pleegde een brandstichting tijdens de anticommunistische propaganda-expo ‘Das Sowjetparadies’. Rothholz werd gearresteerd en opgeknoopt. Schumann had ooit in deze kringen gitaar gespeeld zonder echt te weten over hun verzetswerk.
De nazi’s hadden achterhaald dat Coco’s moeder joods was. Zijn vader wist de deportatie van zijn zoon naar Auschwitz te voorkomen. Coco werd ‘slechts’ gevangengezet in het getto van Theresienstadt, hij verbleef er tot 28 september 1944. Schumann sloot zich aan bij de Ghetto Swingers, met trompettist Eric T. Vogel (1896-1980). Die had sinds 8 januari 1943 de officiële opdracht om een kamporkest te vormen. Tijdens een overplaatsing naar Dachau wist Vogel te ontsnappen.
In de nazipropagandafilm ‘Theresienstadt – Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet’ (Een documentaire uit het joodse nederzettingsgebied) is er een korte verschijning van Coco te zien als drummer bij de Ghetto Swingers met pianist Martin Roman, voormalig leider van de Weintraub’s Syncopators. Roman had Louis Armstrong, Coleman Hawkins, Lionel Hampton, Sidney Bechet en Django Reinhardt in het Amsterdamse Carlton begeleid.
Roman (1910-1996) kwam in Amsterdam wonen rond 1939-1940. Op een dag in 1943 werd hij opgehaald door de Gestapo, die schoten eerst zijn hond dood en namen hem mee naar Westerbork. In januari 1944 werd Roman vanuit Westerbork overgebracht naar Terezin.
Deze film was door de nazi-getto-administratie bedoeld om voor het publiek de ware aard van het kamp te verbergen, officieel een ‘heropvoedingskamp’ met winkels en cafés. Coco was bij die Ghetto Swingers gekomen om de drummer te vervangen, die was naar Auschwitz gedeporteerd. Eigenlijk had de film een zwarte humor titel: ‘Der Führer schenkt den Juden eine Stadt’. De Vlaamse historicus Karel Margry (°1957, Aalst) deed groot onderzoek over het Terezin kamp.
Kurt Gerron (1897-30 oktober 1944) werd aangesteld om die film te maken met de gevangenen als acteurs. Enkelen waren in februari 1944 overgebracht vanuit Westerbork. Doch na de opnamen werden ze naar de gaskamers van Auschwitz gedeporteerd en vermoord. Gerron was al vermoord toen de film in Praag werd uitgebracht in de winter van 1944-1945. Volgens Coco overleefden slechts drie van de 16 musici.
In december 1943 was het kamp opgepoetst. Wel zeven duizend oude en zieke mensen waren naar Auschwitz gestuurd, alleen zij die ‘er goed en jong uitzagen’ bleven over. Het Rode Kruis kwam inspecteren op 22 juni 1944, maar de inspecteurs keken doorheen de ellende of wilden die niet zien.
AUSCHWITZ
Coco Schumann en Louis Bannet (1911-2002), ‘de Nederlandse Louis Armstrong’, waren beiden muzikanten die voor de SS en de gevangenen optraden in Auschwitz. Bannet kwam er vanuit Westerbork aan op 22 januari 1943 en bleef tot november 1944. Schumann arriveerde er op drie oktober 1944 en bleef er tot januari 1945. Ze waren daar zes tot acht weken tegelijkertijd. Grote mogelijkheid dat ze mekaar hebben ontmoet .
Opnieuw hadden de nazi’s en hun SS officieren muzikanten nodig. Hij en andere Ghetto Swingers werden gedwongen muziek te spelen voor de SS-bewakers terwijl gevangenen naar de gaskamers werden geleid. Ze speelden op instrumenten die toebehoorden aan Sinti en Roma die kort daarvoor werden vermoord.
‘La Paloma’ was al voor de Tweede Wereldoorlog populair, met verschillende teksten. Het was gewaagd om tijdens de oorlogsjaren 1943-1944 te zingen om te vertrouwen op God in plaats van op de Führer. De melancholische melodie was enorm populair bij de SS-bewakers. Ze dwongen de gevangenen herhaaldelijk het lied te spelen. Aangezien in een versie gezongen werd ‘het moet toch een keer eindigen’ of ‘een witte duif zal naar u vliegen’ werd het lied door Goebbels verboden of gecensureerd.
DACHAU
In januari 1945 werd Schumann naar Kaufering gestuurd, een afdeling van kamp Dachau. De gevangenen moesten deelnemen aan een beruchte dodenmars naar het Starnberger Meer. In april 1945 begon Coco zijn ‘Dodenmars’ richting Innsbruck en liep vlektyfus op. Op 30 april kwam Coco aan in Wolfratshausen, niet ver van Garmisch-Partenkirchen.
Het Sovjetleger bevrijdde op 27 januari 1945 het Auschwitz kamp en vond er zesduizend uitgemergelde overlevenden. Elk jaar op 27 januari is het de Herdenkingsdag voor de Holocaust (Holocaust Memorial Day).
Dat Amerikaanse soldaten andere kampen hebben bevrijd kreeg meer ruchtbaarheid: Buchenwald (11 april), Dachau (29 april) en Mauthausen (5 mei).
‘Stunde Null’ was aangebroken, de nazicapitulatie.
NA DE OORLOG
In juli 1945 reisde hij naar Berlijn en vernam dat zijn grootouders, nonkels en tantes, neven vermoord werden in de kampen. Coco vond zijn ouders levend terug. Zijn vader had zijn joodse vrouw kunnen verbergen. De nazi’s geloofden de smoes dat ze tijdens de bombardementen omgekomen was in een brand.
Hij werd jazzgitarist en speelde als één der eersten op elektrische gitaar. De Amerikaanse militaire zender AFN (Armed Forces Network) zond vanuit Berlijn de laatste hits uit. Het positieve ‘Summertime’ werd in augustus 1945 dikwijls herhaald.
In Berlijn vond hij oude swingvrienden terug. Ze speelden in een geïmproviseerde bar te midden van het puin, de Ronny Bar. Verwonderd stapte Coco de bar binnen waar Bully Buhlan aan het spelen was. Coco repte met geen woord over zijn ellendig verblijf in een concentratiekamp. Hij ging door met wat de oorlog had onderbroken, jazz spelen. Hij had wel de ontwikkeling van de bebop gemist, maar werd er fan van.
Op 22 augustus 1945 leerde Coco zijn toekomstige vrouw kennen, Gertraud Goldschmidt, ook een Holocaust overlevende. Ze bracht haar vijfjarige zoon Peter mee.
De ontmoeting met violist en componist Helmut Zacharias (1920-2002) was van enorm belang voor Coco. Beiden behoren tot de pioniers van de naoorlogse Duitse jazz. Ze werden populair door hun radio-uitzendingen en plaatopnamen in 1948 en 1949 voor Amiga en Brunswick.
Schumann vond werk bij de Amerikanen in de Tempelhof Officer’s Club, goed betaald met pakken sigaretten.
Marlene Dietrich (1901-1992), geboren in Schöneberg-Berlijn, vertrok in 1934 naar de VS. Ze was de eerste Duitse actrice met succes in Hollywood. In 1937 riep Hitler (‘He is an idiot’) haar terug naar Duitsland. Zij werd in 1939 Amerikaans staatsburger, dat werd haar niet in dank aangenomen. Tijdens de oorlog kwam ze optreden in de Camp Shows voor de geallieerde bezettingstroepen. Van 11 tot 13 september 1945 kwam Dietrich zingen in het Titania-Palast begeleid door Coco’s Melody Trio, maar haar optreden werd niet druk bijgewoond door de Duitsers, wegens ‘persona non grata’, een verrader van haar land. Begin 1946 trad Dietrich nog eens op in Berlijn.
Helmut Zacharias schreef een aantal nummers in bebopstijl. Intussen was Charlie Christian (1916-1942) het gitaaridool van Coco, want die speelde met elektrische versterking.
In 1946 ontmoet Coco gitaarbouwer Roger Rossmeisl (1927-1979), de zoon van Wenzel Rossmeisl. Vader en zoon namen in de zomer van 1946 Coco’s gitaar onder handen en maakten er een moderne elektrische gitaar van met restanten van achtergelaten koptelefoons en ander oorlogsmateriaal van de Wehrmacht.
In maart 1949 was Coco terug in Berlijn. Hij had Helmut Zacharias verlaten, die was in Hamburg gebleven om populaire zoetklinkende viool te spelen. In 1950 richtte hij zijn Coco Schumann Combo op. In het muziekblad ‘VierViertel’ werd Coco als beste jazzgitarist verkozen.
Schumann zag geen echte maatschappelijke verandering. De eerste nazicriminelen die door de processen in Nürnberg waren veroordeeld, werden vanaf augustus 1950 wegens ‘goed gedrag’ vrijgelaten. Het was een illusie dat Duitsland echt klaar was met het kwaad dat het had aangericht.
Duitsland kon zijn ‘Heimat’ niet zijn. De familie Schumann wilde weg. De moeder van Schumann kreeg geen visum voor de VS omdat ze lid was geworden van de SED, de Socialistische Eenheidspartij, een partij die wilde breken met het verleden.
BALLINGSCHAP IN AUSTRALIE
Na hun huwelijk in oktober 1950 emigreerde Schumann met zijn vrouw Gertraud en zoontje Peter naar Australië. Zijn vrienden begrepen niet dat hij Duitsland verliet op een hoogtepunt in zijn loopbaan. Maar Coco verzweeg de ellende die zijn land hem had aangedaan. In Melbourne kon hij gitaar spelen in The Oran Coffee Lounge en in clubs in Sydney en Canberra. Hij ontmoette daar talrijke mensen die uit Duitse concentratiekampen gevlucht waren, ook ‘Schindlerjuden’ die in Krakau in de emailfabriek van Oskar Schindler (1908-1974) hadden gewerkt. Schindler ligt begraven op het Franciscaanse kerkhof op de berg Zion in Jeruzalem. Op zijn grafsteen ‘Lebenretter 1200 Verfolgter Juden’. Bekend is de film ‘Schindler’s List’ (1993) van regisseur Steven Spielberg.
In Australië speelt Coco met de Gypsy Band van Leo Rosner, ook gered door Schindler.
TERUG IN DUITSLAND
Hij miste zijn vrienden en vertrok op 1 juli 1954 richting Berlijn waar hij aankwam op 24 augustus 1954. Hij speelde liefst van al jazz, maar om aan de kost te komen stonden ook sentimentele stukken op het programma, zoals ‘Ich hab dir aus Ägypten einen Kaktus mitgebracht’.
‘Studio 22’ van eigenaar Heinz Dischereit fungeerde als een magneet voor Amerikaanse jazzmuzikanten, informele ontmoetingsplaats na de grote zaalconcerten. Zo toerde het 20-mansorkest van Stan Kenton in Europa: in Berlijn op woensdag 25 april 1956, op 28 april in Kurhaus Scheveningen (AVRO) en het Concertgebouw in Amsterdam, op 29 april in Brussel, Paleis voor Schone Kunsten en ’s avonds in Luik, Emulation. Coco regelde in Studio 22 een jamsessie met (Duitse) collega’s Manfred Burtslaf en Hajo Lange en met Lennie Niehaus, Bill Perkins, Stan Kenton en Mel Lewis, aldus een foto in zijn Duitse biografie.
Na hun optredens kwamen Louis Armstrong, Dizzy Gillespie en Ella Fitzgerald mee jammen in jazzclubs van de Stuttiwijk in Charlottenburg. Zo zong Ella een ‘These Foolish Things’ mee met het Melody Trio van Schumann.
In 1957 wordt in Göttingen de film ‘Witwer mit fünf Töchtern’ van Heinz Erhardt, filmkomedie van regisseur Erich Engels opgenomen. Coco wilde meedoen op voorwaarde van veel drank.
In 1958 had Coco een speellijst van 38 nummers die concurreerden met rockidool Elvis Presley, die van 1 oktober 1958 tot 2 maart 1960 zijn legerdienst deed in het Duitse Friedberg. Bill Haley and the Comets veroorzaakten op 26 oktober 1958 schandaal in het Berlijnse Sportpalast. Punkers begonnen met afbraakwerken, onder meer de piano moest eraan geloven.
Coco krijgt interesse in Latijns-Amerikaanse dansmuziek, boleros, mambos en calypsos. Voor de Sender Freies Berlin Radio nam hij zijn compositie ‘Senorita de la Mambo’ op. Voor die Latijns-Amerikaanse muziek gebruikte hij het pseudoniem Sam Petraco.
De CEO van een gitaarbouwer in Erlangen vroeg Coco om drie dagen zijn Les Paul uit te lenen, in ruil voor een nieuw ‘Framus Attilla Zoller’. Framus was sinds 1946 een van de belangrijkste fabrikanten van elektrische gitaren. Er was een vruchtbare samenwerking met gitarist Attila Zoller (1927-1998), John Lennon en Bill Wyman.
In de jaren zestig werd Coco wel eens gevraagd om free jazz te spelen, maar hij kon niet overweg met de ‘zelfontplooiing’ die daar bij hoorde. Politiek gezien stelde hij zijn hoop op Willy Brandt tijdens zijn verkiezingscampagnes in 1961 en 1965 bij de Sociaal-Democratische Partij (DEP). Brandt (1913-1992) was burgemeester in Berlijn sinds 1957. Coco had goede redenen om nooit meer ‘La Paloma’ te spelen tijdens Brandt’s verkiezingscampagne.
In juni 1963 roept John F. Kennedy ‘Ich bin ein Berliner’. The Coco Schumann Combo kreeg een contract in de Silverwings Club Berlin. Met zijn kersverse elektrische gitaar was Coco de publieksfavoriet bij de luchtmachtmilitairen gestationeerd op Tempelhof.
In 1964 heeft Coco een orkest met pianist Rolf Sztuka die extra overweg kon met een van de eerste hammondorgels in Berlijn. Drie jaar lang speelden ze op vrijdagavond in Kasino am Zoo.
Het clubleven en het reizen werden lastig. Het overdreven drankgebruik eiste bij sommige muzikanten zijn tol, ook bij Coco.
Op 26 maart 1970 vertrok vanuit Genua het Schumann kwartet om op te treden in de Ukraine Bar van het Sovjet-cruiseschip Taras Shevchenko. Het vervoerde westerse toeristen voor de West-Duitse rederij Neckermann naar Malta, Alexandria, Istanbul, Beiroet. De vermeende toenadering tussen kapitalisme en socialisme binnen Brandt’s nieuwe Ostpolitik was een gespreksonderwerp tussen Coco en de kapitein. Een communistische politiek adviseur was het met Schumann eens dat kapitalisme slecht was, maar het was wel prettig met een miljoen op zak. Uiteindelijk stopte Coco in 1972 met dat Neckermann contract.
In de wijk Charlottenburg opende hij zijn ‘Coco Bar’.
Van 1975 tot 1990 was Schumann docent klassieke gitaar aan een muziekschool in Berlijn-Zehlendorf, maar hij bleef concerten geven.
Hij besloot alleen maar muziek te spelen die voor hem belangrijk was: jazz, alleen jazz: ‘Lester Leaps In’, ‘Let’s Fall in Love’, ‘The Girl from Ipanema’ en ‘Autumn Leaves’.
Gedaan met het spelen van de ‘Ententanz’, de vogeltjesdans ‘Tchip Tchip’ waarmee de Belgische muziekproducent Louis van Rijmenant (1930-1992) vanaf 1973 wereldsucces kende.
Nadat Coco zijn job aan het conservatorium had opgezegd ging hij weer spelen met Helmut Zacharias. Stilaan overtuigden media en journalisten Coco te vertellen over zijn verleden. Dat werd verfilmd in 1986 in de film ‘Coco, the Ghetto Swinger’ van Paul Karalus (1928-2000).
In 1989 interviewde filmmaker John Jeremy Schumann voor de documentaire ‘Swing Under The Swastika’. De swastika of het hakenkruis is een symbool van het kwaad. Het was een oeroud teken dat stond voor vrede en geluk. Samen met Martin Roman werd de puzzel over jazz tijdens het Derde Rijk bijeen gelegd. Toen werd de film niet vertoond in Duitsland, wel in Amerika.
Coco had een dubbel gevoel toen hem in januari 1989 het ‘Bundersverdienstkreuz’ toegekend werd. Een Duitsland dat nooit echt in het reine was gekomen met het naziverleden kon nooit zijn ware thuis zijn. Vandaar dat Coco overwoog om naar de VS te emigreren, maar de gezondheid van zijn vrouw dwarsboomde die plannen.
De oudere Schumann uitte steeds vaker publiekelijk zijn mening over het politiek klimaat. De omarming van het anticommunisme na de kapitalistische hereniging van Duitsland in 1989-1990 moedigde rechtse groeperingen aan. Schumann was hier en daar niet welkom, er waren dreigementen om zijn huis in brand te steken, maar hij stapte niet naar de politie. Ze geloofden nog altijd niet wat er in Auschwitz was gebeurd, volgens velen een leugen. Voor bier gold er wel een ‘Reinheitsgebot’, maar voor vermenging van Duitsers en Joden, geen regeling.

In november 1989 werd door het Zweites Deutsche Fernsehen (ZDF) een TV-show georganiseerd ter ere van Helmut Zacharias en zijn 70e verjaardag. Het concert werd gefilmd en uitgebracht als ‘Ein Leben voll Musik’. Zacharias bracht oude jazzvrienden bijeen. Coco en Toots Thielemans speelden een memorabele versie van ‘Caravan’.

Zijn autobiografie uit 1997 werd in 2016 in het Engels gepubliceerd als ‘The Ghetto Swinger: A Berlin Jazz-Legend Remembers’. Daarin ontkracht Schumann openlijk alle leugens en verdraaiingen rond de meest verschrikkelijke periode van zijn leven. Hij beschrijft zijn ervaringen zonder omwegen. Daarin verwierp hij uitdrukkelijk de these van de Duitse collectieve schuld die in 1996 werd gepropageerd door Daniel Goldhagen in ‘Hitlers Willing Executioners’ (Hitlers gewillige beulen). Deze Harvard-historicus poneerde dat heel Duitsland verantwoordelijk was voor de holocaust. Schumann vertelt hoe niet-joodse buren zijn familie hielpen overleven. Hij bewonderde zijn ‘Arische’ vader die openlijk weigerde te scheiden van zijn joodse vrouw. Schumann kreeg als jood geen speelvergunning maar desondanks kon hij tot 1943 in Berlijn in het openbaar optreden. Dit wijst op een vorm van verborgen solidariteit in verzet tegen de alomvattende nazi-onderdrukking.
Pianist Peter Kreuder (1905-1981) was bekend om zijn muzikale virtuositeit maar ook om zijn ijdelheid en corrupte aard. Schumann hekelt het opportunisme en de morele compromissen van Kreuder die sinds 1932 lid was de NSDAP, de nazipartij. Zijn muziek werd zelfs gebruikt voor nazi-propaganda. Coco noemt hem ‘een meester in naïviteit’.
Schumann was ook zelfkritisch: in zijn jeugd was hij alleen geïnteresseerd in muziek en zou hij waarschijnlijk een sympathisant van de nazi’s zijn geworden, ware het niet dat hij joods was.
Op 14 november 2006 trad het Coco Schumann Quartet op in Leipzig voor 400 toeschouwers in de Michaeliskerk.
Pas toen WDR-reporter Paul Karalus ging praten met overlevenden van kamp Wulkow waartoe Coco’s vrouw behoorde veranderde hij van gedacht, hij wilde vertellen over zijn belevenissen.
In 2012 bewerkte de Hamburger Kammerspiele Coco’s levensverhaal tot een toneelstuk.
Op 4 en 5 juli 2013 is Schumann in de Unterfahrt in München, waarvan foto’s.

Op 5 maart 2014 werd de dvd ‘Refuge in music – Terezin’ voorgesteld aan studenten van het gymnasium in Schöneberg. In Frankrijk bekroond met de ‘Diapason d’Or’.
Op 21 juli 2016 werd Coco de Duitse Platencriticiprijs voor 2015 uitgereikt.
INFORMATIE
Het bronnenmateriaal is verspreid over talrijke boeken, internet-bijdragen en interviews, maar de essentie is verteld in Coco’s autobiografie. Ik maakte gebruik van volgende bronnen:
*Schumann’s autobiografie ‘Der Ghetto-Swinger – Eine Jazzlegende erzählt’, 1997, in het Duits, 233 pagina’s, Deutscher Taschenbuch Verlag.
*‘The Ghetto Swinger – A Berlin Jazz-Legend Remembers’, 2016, in het Engels, 180 pagina’s, Doppelhouse Press, met 13 pagina’s register of index.
In beide boeken staan enkele niet veel gepubliceerde foto’s van Toots Thielemans. Bijvoorbeeld: Jean ‘Toots’ Thielemans met Adele Girard en Joe Marsala, aan de Onyx Club, New York City, 1948 (William P. Gottlieb Collection).
*’Music Goes To War 1939-1945’, Will Studdert, University Of Kent, gratis digitaal beschikbaar.
*‘Different Drummers – Jazz in the Culture of Nazi Germany’, Michael H. Kater, 1992, 290 pagina’s.
*’Radio Hitler – Nazi Airwaves In The Second World War’, Nathan Morley, 2021, 286 pagina’s.
*Bernd Reinhardt: ‘Een wereld zonder naties’ (World Socialist Web Site, 2 maart 2018).
*’Lexicon verfolgter Musiker und Musikerinnen der NS-Zeit’, Universiteit Hamburg
*’Dr. Jazz Magazine, nummers 196 en 197', 2005

***Hamburger jazzgitarist Alexander Kranich (°1993) nam in april 2024 zijn ‘Tribute to Coco Schumann’. Hij speelde op een originele gitaar van Coco (Personality Records PR 36). Ze hadden mekaar in 2013 voor het eerst ontmoet. Voor Laika Records nam Kranich in mei 2026 zijn ‘Coco Schumann Songbook’ op, album dat in oktober 2026 uitgebracht werd.
ZIJN MUZIEK
In de platenwinkel is Schumann niet te vinden, op internet en Google daarentegen wel.

Jaren geleden kocht ik de 2-cd ‘Coco Schumann - Rex Casino’, zeven opnamen uit 1955 en enkele latere opnamen, vergezeld van een bonus-dvd (Trikont US-0381, 2008). Daarop staat ‘Au revoir, mon amour’ van Schumann met Toots Thielemans en het orkest van Simon Krapp (1918-1972). Volgens de Polydor-nummering is het opgenomen tussen maart en mei 1964. Kranich beschikt over de bladmuziek ‘Au Revoir’ gedateerd in 1961.
Ik bezit ook het ‘Coco Schumann Quartett – Now ! Live auf Schloss Elman’, 20 juli 1999, Trikont US-0266.
Trikont US-0238 is ‘Coco Schumann - Double – 50 Years in Jazz’, dubbel-cd uitgebracht in 1997.
Tekst © Erik Carrette (erik.carrette@skynet.be) – 8 november 2026
Met dank aan: Emmanuel Verschueren van de Auschwitz Stichting
In case you LIKE us, please click here:




Luchthavenvervoer zonder stress
Hotel-Brasserie
Markt 2 - 8820 TORHOUT

Silvère Mansis
(10.9.1944 - 22.4.2018)
foto © Dirck Brysse

Rik Bevernage
(19.4.1954 - 6.3.2018)
foto © Stefe Jiroflée
Philippe Schoonbrood
(24.5.1957-30.5.2020)
foto © Dominique Houcmant

Claude Loxhay
(18.2.1947 – 2.11.2023)
foto © Marie Gilon

Pedro Soler
(8.6.1938 – 3.8.2024)
foto © Jacky Lepage

Sheila Jordan
(18.11.1928 – 11.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Raúl Barboza
(22.5.1938 - 27.8.2025)
foto © Jacky Lepage
Special thanks to our photographers:
Petra Beckers
Ron Beenen
Annie Boedt
Klaas Boelen
Henning Bolte
Serge Braem
Cedric Craps
Luca A. d'Agostino
Christian Deblanc
Philippe De Cleen
Paul De Cloedt
Cindy De Kuyper
Koen Deleu
Ferdinand Dupuis-Panther
Palma Fiacco
Anne Fishburn
Federico Garcia
Jeroen Goddemaer
Robert Hansenne
Serge Heimlich
Dominique Houcmant
Stefe Jiroflée
Herman Klaassen
Philippe Klein
Jos L. Knaepen
Tom Leentjes
Hugo Lefèvre
Jacky Lepage
Olivier Lestoquoit
Eric Malfait
Simas Martinonis
Nina Contini Melis
Anne Panther
France Paquay
Francesca Patella
Quentin Perot
Jean-Jacques Pussiau
Arnold Reyngoudt
Jean Schoubs
Willy Schuyten
Louise Stubbe
Frank Tafuri
Jean-Pierre Tillaert
Tom Vanbesien
Jef Vandebroek
Jean-Marie Vandelannoitte
Geert Vandepoele
Guy Van de Poel
Cees van de Ven
Donata van de Ven
Maurits van Hout
Harry van Kesteren
Geert Vanoverschelde
Roger Vantilt
Patrick Van Vlerken
Marie-Anne Ver Eecke
Karine Vergauwen
Frank Verlinden
Jan Vernieuwe
Anders Vranken
Didier Wagner
and to our writers:
Mischa Andriessen
Robin Arends
Marleen Arnouts
Werner Barth
José Bedeur
Henning Bolte
Paul Braem
Erik Carrette
Danny De Bock
Denis Desassis
Jean-Pierre Devresse
Pierre Dulieu
Ferdinand Dupuis-Panther
Federico Garcia
Paul Godderis
Stephen Godsall
Jean-Pierre Goffin
Claudy Jalet
Chris Joris
Bernard Lefèvre
Mathilde Löffler
Claude Loxhay
Ieva Pakalniškytė
Anne Panther
Etienne Payen
Quentin Perot
Jacques Prouvost
Jempi Samyn
Renato Sclaunich
Yves « JB » Tassin
Herman te Loo
Eric Therer
Georges Tonla Briquet
Henri Vandenberghe
Jean-Jacques Vandenbroucke
Peter Van De Vijvere
Iwein Van Malderen
Jan Van Stichel
Olivier Verhelst