Gent Jazz, 8 juli 2017: een dag vol vragen

Leek mij na grondig bestuderen van de volledige affiche zaterdag 8 juli de meest interessante dag van deze editie, dan bleek ik na afloop het festivalterrein te verlaten met een lijst vol oningevulde vragen.


Zo stelde zich al meteen bij de start van het eerste optreden - Tomasz Stańko/Enrico Rava Quintet – de vraag waarom men voor dat ene concert in blok A+ - op dit toch vrij vroege aanvangsuur (14.30 uur) voor het overgrote deel blijvend onbezet - niet ook publiek met een minder duur dagticket liet plaatsnemen. Het lijkt me voor de muzikanten zelf aangenamer om het publiek dicht - in deze omstandigheden is dat uiteraard relatief - voor zich te zien, wat hun enthousiasme me dunkt enkel ten goede kan komen. Wat meteen de tweede vraag doet rijzen of nèt die afstand tot de – dus niet bepaald talrijk opgekomen -  toehoorders de reden was waarom de performance van toch klasbakken als Stańko en Rava nooit ècht beklijvend werd. Beide koperblazers – Rava de hele duur van het optreden op flugelhorn – lieten weliswaar fraaie dingen horen, maar het klonk bij momenten toch eerder routineus en veel begeestering viel niet te bespeuren. Eigenlijk was voor mij bassist Reuben Rogers de revelatie. Een goed concert, ja, maar het niveau werd nergens in die mate opgetild dat naderhand termen als “onvergetelijk” of “een belevenis” spontaan uit het vocabularium kwamen opborrelen. Bovendien drong zich onderhand een derde vraag op, nl. waarom muzikanten zich geen moeite willen getroosten of het geheel overbodig achten om ook maar een minimum aan contact met de bezoeker te maken. Behalve de groepsleden voorstellen werd géén woord gesproken, meteen ook de reden waarom in deze korte impressie van geen enkele compositie de titel is opgenomen.


Van een geheel andere orde – noem het gerust: een contrast - was het concert van BassdrumboneMark Helias (bas), Gerry Hemingway (drums) en Ray Anderson (trombone) vormen intussen al 40 jaar een trio, maar van enige routine of van sleet op de formule was zaterdag niemals een spoor te merken. En ondanks het feit dat elk der muzikanten een standaard vol partituren voor zich had, kon men er hen nooit op betrappen de gevangenen van die bladmuziek te zijn. Zowel op vlak van bezieling, spelplezier als kwaliteit mochten nu wèl hoge scores worden toegekend. Idem dito voor communicatie met het publiek: presentatie en, waar nodig, toelichting van de stukken werd democratisch over de groepsleden verdeeld, zodat ieder de kans kreeg de luisteraars te adresseren, hetgeen op een bijzonder sympathieke en bijwijlen ludieke manier geschiedde. Het gebrachte repertoire: ‘Show Tuck’ (comp. Gerry Hemingway); ‘ Blue Light Down The Line’ (comp. Mark Helias); ‘At Another Time’ (comp. Gerry Hemingway, uit de nieuwe dubbel-cd ‘The Long Road’); ‘Stomping On Enigmas’ (“deep philosophical theme”, gniffelde Ray Anderson). Voor het slotnummer droeg de trombonist, tevens auteur van dat stuk, trouwens als extra toets ook vocaal bij. Niet meteen mainstream jazz en dus een van de meer moedige keuzes van Gent Jazz 2017. Voor de – nog steeds niet in groten getale – opgekomen festivalgangers, en in het bijzonder de meerwaardezoekers, echter a real treat!   

Helaas volgden op deze muzikaal zeer interessante en memorabele set concerten die andermaal prangende vragen opriepen, waardoor het verhoopte luistergenoegen bij momenten onherroepelijk tot knagende teleurstelling degenereerde.


McCoy Tyner Trio with special guest Craig Taborn
was een door de omstandigheden afgeslankt programma: zoals intussen genoegzaam bekend, had ook Geri Allen die affiche moeten delen, maar op 27 juni jl. werd zij aan haar fans ontrukt – véél te vroeg, dient betreurd – wegens slachtoffer geworden van de Gevreesde  Ziekte. Taborn nam dus noodgedwongen het volledig eerste gedeelte van dit concert op zich en begeleid door Gerald Cannon (contrabas) en Francisco Mela (drums) startte hij zijn set met ‘Passion Dance’ (comp. Tyner). Na deze naar zijn hand gezette versie, waarin hij uitgebreid liet horen met welke virtuositeit hij de klavieren beroert, wijdde hij enige gedachten aan Geri Allen ”who passed away too young” en “one of his influences”. Als hommage bracht hij ‘When Kabuya Dances’, een stuk van haar hand: op 14-jarige leeftijd zag hij een solo-optreden van haar waar ze o.a. deze compositie speelde en “it changed the way I thought about music”. Ook Taborn bracht dit stuk solo. Voor het derde nummer van zijn set werd hij opnieuw vervoegd door de ritmesectie, met als resultaat een steeds meer indringend en als het ware hypnotiserend wordende afsluiter. Vervolgens introduceerde hij McCoy Tyner: had hij hem eerder tijdens zijn uiting van respect aan het adres van Geri Allen reeds als een voor hem invloedrijk muzikant bestempeld, dan had hij nu over “one of the few who changed music forever”.

De eerste gedachte die de verschijning van McCoy Tyner opriep, uiterst breekbaar als hij oogde en voorzichtig aan de arm van een begeleider naar de piano schuifelend, was hoe hij als muzikant dan nog wel zou klinken. Dat viel in eerste instantie behoorlijk mee, was de opluchting toen hij tijdens een eerste, al onmiddellijk uptempo stuk de vingers over de toetsen liet dansen. Onfortuinlijk genoeg bleek zijn pianistieke inbreng drastisch kort en werd heel veel overgelaten aan bassist en drummer. Telkens hetzelfde stramien tijdens de volgende stukken: korte solomomenten waarin de legende enigszins een glimp van zijn muzikaal genie liet zien… Een optreden kortom waar de sidemen veel uitdrukkelijker aanwezig waren dan de “leider” en na afloop waarvan onverbiddelijk diende vastgesteld dat leerling Taborn met zijn prestatie de leermeester op 8 juli ver heeft overtroffen.

En dus kwelden de volgende vragen, die sindsdien niet uit het hoofd willen: wat is de zin om bejaarde muzikanten die alles al ten overvloede hebben bewezen en hun welverdiende stek in het rijk der onsterfelijke legenden hebben veroverd, nog op te voeren? Loert niet onvermijdelijk het gevaar om de hoek dat zij op deze hoge leeftijd nog slechts een schim zijn van wat ze ooit waren? Creëert dit bijgevolg niet bij het publiek – vaak tegen beter weten in – hooggespannen verwachtingen die slechts in een eerder uitzonderlijk geval, dus vaker niet dan wel, kunnen worden waargemaakt? Die vragen bleven ook tijdens het daarna volgende optreden het hoofd bestormen…


De aankondiging Wayne Shorter Quartet with Casco Philharmonic performing Emanon bevatte uiteraard voldoende aanwijzing om diets te maken dat op het podium voor dat concert behoorlijk wat meer volk dan enkel het al jarenlang vaste kwartet van Shorter zou staan. Toch ging ondergetekende er, in een positieve bui, van uit dat deze formule ook deze tot het pantheon der jazzgiganten behorende niet zou beletten volop zijn kunnen te demonstreren. Een hoop die tijdens het eerste stuk werd vervuld, met enkel het Quartet on stage. De ritmesectie - Danilo Pérez (piano), John Patitucci (bas), Brian Blade (drums) – ging aanstekelijk en energiek tekeer en volgde en ondersteunde de saxofonist (afwisselend op sopraan en tenor) zonder moeite en vlekkeloos in zijn schijnbaar onvoorspelbare korte soli. Al snel daarna echter werd het Philharmonic (dirigent: Clark Rundell) mee op de planken gehaald en wat volgde kan nog het best worden bestempeld als een in strijkers gedrenkte slechte soundtrack voor een imaginaire film met ondefinieerbaar onderwerp. (Mocht deze omschrijving vaag en vormeloos klinken, dan is ze wonderwel geslaagd. ) Shorter zelf zat voor de duur van de lang uitgesponnen stukken intens naar zijn partituur te kijken, bracht af en toe zijn sax naar de lippen en blies daar dan een ogenblik op, soms met hoorbaar resultaat, maar even vaak werden zijn noten verzwolgen in de bombast van het allesoverheersend orkest. Het laatste kwartier van dit optreden heb ik aan mij laten voorbijgaan, de moed ontbrak mij om deze kelk tot de bodem te ledigen.

Beide concerten hadden, behalve het respectabel aantal levensjaren van Tyner en Shorter, dus (o.a.) gemeen dat deze artiesten zich nog wel lijfelijk op het podium bevonden, maar zonder muzikaal uitdrukkelijk aanwezig te zijn en hun stempel te drukken.


Een hele opluchting was het derhalve dat in de tent on the garden stage daarna nog Rêve d’ Éléphant Orchestra aantrad: dit bonte gezelschap bracht live zo goed als de integrale laatste cd ‘Odyssée 14’ (W.E.R.F. 130) en deed dat op zulke aanstekelijke en hartverheffende wijze dat hun concert na afloop terecht met een luide staande ovatie werd gelauwerd.

Slotsom van dag 3 van Gent Jazz 2017: voortreffelijke concerten van Bassdrumbone, Craig Taborn en  Rêve d’ Éléphant Orchestra; niet echt ingeloste verwachtingen bij Tomasz Stańko / Enrico Rava Quintet en welhaast deprimerende ontgoocheling door de muzikale “inbreng” van McCoy Tyner en Wayne Shorter. Een rapport met als puntenaantal 3 op 6, dus, wat zich bijgevolg onmogelijk in euforie laat vertalen…

Tekst © Paul Godderis  -  foto's © Geert Vandepoele


 Jazz'halo radio by
DJ Ferdinand Dupuis-Panther:

 

Facebook  

Clemens Communications

Jazz Rules Radio

De Werf

VKH Torhout

 

Special thanks to our photographers:

Henning Bolte
Cedric Craps
Christian Deblanc

Koen Deleu
Ferdinand Dupuis-Panther
Anne Fishburn
Robert Hansenne
Stefe Jiroflée
Jos L. Knaepen
Jacky Lepage
Nina Contini Melis
Arnold Reyngoudt
Willy Schuyten

Frank Tafuri
Jean-Pierre Tillaert
Tom Vanbesien
Geert Vandepoele
Guy Van de Poel
Cees van de Ven
Geert Vanoverschelde
Patrick Van Vlerken
Marie-Anne Ver Eecke

Jan Vernieuwe

and to our writers:

Robin Arends
Henning Bolte
Danny De Bock
Ferdinand Dupuis-Panther
Paul Godderis
Jean-Pierre Goffin
Claude Loxhay
Etienne Payen
Herman te Loo
Iwein Van Malderen